ECLI:NL:RVS:2007:BB7228
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring door ontbreken uitzettingshandelingen
Appellant werd op 23 mei 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op uitzetting. De bewaring werd op 28 juni 2007 opgeheven. Tijdens deze periode verrichtte de staatssecretaris geen enkele uitzettingshandeling en gaf ook geen toelichting waarom deze periode noodzakelijk was.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat een termijn van maximaal veertien dagen voor het starten van uitzettingshandelingen in beginsel redelijk is, tenzij bijzondere omstandigheden een langere termijn rechtvaardigen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat deze benadering onvoldoende rekening houdt met de vereiste voortvarendheid en individuele omstandigheden.
Omdat de staatssecretaris geen uitzettingshandelingen heeft verricht gedurende de gehele bewaringstermijn, is de maatregel van meet af aan onrechtmatig. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent appellant een schadevergoeding toe. Tevens worden proceskosten aan appellant toegewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend.