ECLI:NL:RBAMS:2009:BI4342
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rechtsbijstand en verrekening op basis van artikel 32 lid 3 Bvr
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder waarbij de vergoeding aan eiser 2, de rechtsbijstandverlener, werd verlaagd met een bedrag dat reeds tijdens de bezwaarfase aan hem was betaald. Eiser 1 stelde dat hij een rechtstreeks belang had bij het verrekende bedrag, maar de rechtbank oordeelde dat alleen de rechtsbijstandverlener een rechtstreeks belang heeft bij het besluit over de vergoeding.
De rechtbank overwoog dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de vergoeding terecht aan eiser 2 had toegekend en dat deze vergoeding conform artikel 32, derde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr) op de vergoeding in mindering mocht worden gebracht. De rechtbank verwees naar de wetsgeschiedenis van artikel 29 van Pro de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), waarin is geregeld dat het bestuursorgaan op de hoogte wordt gesteld van toevoegingsprocedures zodat de vergoeding aan de advocaat kan worden betaald.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser 2, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak die niet van toepassing was op dit feitelijke en wettelijke kader. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenvergoeding of griffierechtvergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bezwaar van eiser 1 niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van eiser 1 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van eiser 2 is ongegrond verklaard.