Uitspraak
200602644/2is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering een zekere evidentie heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden en appellant de mogelijkheid heeft dat antwoord te verkrijgen. Van een evidente civielrechtelijke belemmering is in dit geval, gelet op de aangehouden afstand van 2 meter, die overeenkomt met die genoemd in artikel 5:50 van Pro het Burgerlijk Wetboek, niet gebleken. Het college heeft voorts in de gestelde beperking van lichtinval en uitzicht, noch in de gestelde schade aan de boom op het perceel van appellant in redelijkheid aanleiding behoeven te vinden de gevraagde vrijstelling niet te verlenen, zodat de voorzieningenrechter op goede gronden heeft overwogen dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot vrijstellingverlening gebruik heeft kunnen maken.