ECLI:NL:RVS:2006:AX2432
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over legesheffing bij verlenging verblijfsvergunning Turkse onderdaan
De zaak betreft een Turkse vreemdeling die een aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indiende, maar deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens niet tijdige betaling van leges. De vreemdeling had eerder legaal verblijf en arbeid verricht, maar diende de verlengingsaanvraag pas na afloop van de geldigheidsduur van zijn vergunning in. De minister stelde dat artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 niet van toepassing was en dat legesheffing geen nieuwe beperking vormde.
De rechtbank oordeelde dat artikel 13 wel Pro rechtstreeks van toepassing is en dat de legesheffing en de verhoging daarvan een nieuwe beperking vormen die in strijd is met dit besluit. De Raad van State onderzoekt of de vreemdeling zich op artikel 13 kan Pro beroepen ondanks de periode van illegaal verblijf en illegale arbeid tussen vergunningen. Tevens wordt de vraag gesteld of de legesheffing een beperking is en of deze niet hoger mag zijn dan de leges voor EU-onderdanen.
De Raad van State heeft de behandeling van het hoger beroep geschorst en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële beantwoording van deze vragen, waarmee de rechtspositie van Turkse onderdanen bij verlenging van verblijfsvergunningen en de toepassing van legesheffing in het licht van het associatieverdrag en EG-recht wordt verduidelijkt.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst en prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 13 van besluit nr. 1/80 en de legesheffing.