Uitspraak
200204782/1, bij vestiging van een voorkeursrecht op basis van een globaal bestemmingsplan geen zekerheid behoeft te bestaan omtrent de vraag of de beoogde uitwerking, waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, daadwerkelijk tot stand zal komen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de uitvoering van de plannen zo onzeker is dat de raad in redelijkheid geen voorkeursrecht heeft kunnen vestigen.