ECLI:NL:RVS:2004:BB1216
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wees op 10 maart 2003 een aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank, maar verzuimde de gronden van het beroep tijdig te vermelden. De rechtbank verklaarde het beroep op 4 juni 2004 niet-ontvankelijk wegens dit verzuim.
Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State en klaagde dat de rechtbank met deze niet-ontvankelijkverklaring de artikelen 3 en 13 van het EVRM had geschonden. De Raad overwoog dat het nationale recht, waaronder artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, vereist dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat en dat deze binnen een gestelde termijn moeten worden aangevuld indien aanvankelijk niet vermeld.
De Raad stelde dat alleen onder bijzondere omstandigheden van de individuele zaak kan worden afgeweken van deze regel. In deze zaak was de termijnoverschrijding het gevolg van een misrekening van de gemachtigde, wat geen bijzondere omstandigheid vormt. Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden.