ECLI:NL:RVS:2004:AR3330
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-Van Bilderbeek
- B.J. van Ettekoven
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit gemeente Breda inzake schadevergoeding op grond van artikel 49 WRO
Appellant verzocht de gemeente Breda om vergoeding van schade wegens verstoring van zijn woongenot door de oprichting van een bedrijfsloods op een aangrenzend perceel, op grond van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De gemeente wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Breda. De rechtbank verklaarde het beroep eerst gegrond, maar bij een latere uitspraak werd het beroep ongegrond verklaard. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat bij de beoordeling van het schadevergoedingsverzoek de planologische situatie moet worden vergeleken met het planologisch regime dat direct voorafging aan de wijziging, in dit geval het bestemmingsplan uit 1980, en niet het oudere plan uit 1948. De gemeente en rechtbank hadden onterecht de voorzienbaarheid van de planologische ontwikkeling beoordeeld aan de hand van het plan uit 1948, wat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad van State vernietigde daarom het besluit van de gemeente en de uitspraak van de rechtbank van 28 januari 2004 en verklaarde het beroep alsnog gegrond. Tevens werd de gemeente opgedragen binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen en werd zij veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd en de gemeente Breda wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.