ECLI:NL:RVS:2004:AP0376
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- B.J. van Ettekoven
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding verleggingskosten waterleiding bij aanleg HSL-Zuid en verbreding A16
Bij twee besluiten van 8 januari 2001 kende de Minister van Verkeer en Waterstaat aan Brabant Water vergoedingen toe voor de verlegging van een waterleiding in verband met de aanleg van de HSL-Zuid en de verbreding van de rijksweg A16. De waterleiding kruiste zowel het beheersgebied van de Minister als daarbuiten, waardoor vergoeding op grond van de Nadeelcompensatieregeling en een Overeenkomst werd toegekend.
Brabant Water stelde dat ook kosten van de afdelingen “Nieuwbouw voorbereiding” en “Nieuwbouw uitvoering” met een forfaitair opslagpercentage van 17% vergoed moesten worden. De Minister en rechtbank wezen dit af omdat deze kosten niet voldoende waren gespecificeerd als werkelijke verleggingskosten. Verder betoogde Brabant Water dat transport- en stortkosten van vrijgekomen leidingen ook vergoed moesten worden, wat eveneens werd afgewezen omdat stortkosten volgens de regeling voor risico van de leidingbeheerder zijn.
De Raad van State bevestigde dat alleen daadwerkelijk gemaakte verleggingskosten voor vergoeding in aanmerking komen en dat de Minister terecht het bezwaar van Brabant Water ongegrond heeft verklaard. De rechtbank had de bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep tegen de besluiten, ook voor de vergoeding op grond van de Overeenkomst. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Brabant Water wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.