ECLI:NL:RVS:2003:AI0570
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.A.M. van Angeren
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking ontheffing en vergunningen ligplaats woonboot Prinsengracht Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had op 13 juli 2000 de ontheffing van appellant a voor het afmeren van een stationerend vaartuig in de Prinsengracht ingetrokken en bestuursdwang aangekondigd. Tevens werden vergunningen verleend aan een derde voor ligplaats en vervanging van een woonboot op deze locatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten grotendeels ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar alternatieve ligplaatsen en dat de verleende vergunningen in strijd waren met het bestemmingsplan Jordaan 1999, dat alleen ligplaatsen toestaat binnen de op de plankaart aangegeven vlakken.
Verder stelde de Afdeling vast dat de intrekking van de ontheffing niet kon worden gerechtvaardigd door een verandering van omstandigheden, omdat onvoldoende was aangetoond dat de woonboot geen functie meer had of dat de noodzaak tot verplaatsing bestond.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, en beval hernieuwde besluitvorming met inachtneming van de motieven. Tevens werden de proceskosten ten laste van het stadsdeel Amsterdam-Centrum opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de ontheffing en vergunningen is vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.