ECLI:NL:RVS:2002:AD9774
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vreemdelingenbewaring wegens niet tijdig horen appellant
Appellant is op 3 november 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage, die het beroep op 27 november 2001 ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling heeft de zaak op 10 januari 2002 mondeling behandeld. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting bleek dat appellant niet binnen de termijn zoals voorgeschreven in artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is gehoord. De eerste persoonlijke hoorzitting vond pas plaats op 20 november 2001, terwijl de wet een eerdere hoorzitting binnen een kortere termijn vereist.
De Afdeling oordeelde dat deze termijnoverschrijding de vreemdelingenbewaring onrechtmatig maakt. Anders dan in eerdere jurisprudentie was er geen sprake van omstandigheden buiten de risicosfeer van appellant die het ontbreken van een eerdere hoorzitting konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen per 11 januari 2002. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdelingenbewaring opgeheven per 11 januari 2002.