ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7129
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring vreemdeling wegens uitzettingsrisico
De vreemdeling, een Indiase nationaliteit hebbende persoon, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, het bezit van een vals paspoort en het risico op ontduiking van uitzetting.
Het beroep tegen deze bewaring werd tijdig ingediend en behandeld, waarbij de vreemdeling aanvankelijk niet persoonlijk aanwezig was, maar vertegenwoordigd werd door zijn gemachtigde. Vanwege een persoonsverwisseling werd de vreemdeling niet tijdig gehoord, maar alsnog binnen een redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring rechtmatig was en dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. Er waren geen aanwijzingen dat de bewaring onrechtmatig was toegepast of dat de belangenafweging onredelijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.