ECLI:NL:RBZWB:2026:838

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/10403
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens juiste CO2-uitstoot en afschrijvingsmethode

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.418 en een belastingrentebeschikking van € 19 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur baseerde de aanslag op een hogere CO2-uitstoot dan door belanghebbende opgegeven en een forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank oordeelt dat de CO2-uitstoot 154 gram per kilometer bedraagt, zoals belanghebbende stelde, en dat de forfaitaire afschrijving gunstiger is dan de taxatiemethode.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de hertaxateur niet deskundig of onafhankelijk zou zijn en oordeelt dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden, omdat geen concrete toezeggingen zijn gedaan en de wettelijke termijn voor naheffing niet is overschreden. De rechtbank stelt de verschuldigde BPM vast op € 1.925, verminderd met reeds betaalde € 287, zodat de naheffingsaanslag wordt verlaagd naar € 1.638.

Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 500 voor rekening van de inspecteur en € 1.000 voor rekening van de Staat. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van € 3.200 aan belanghebbende.

De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking worden verminderd. De rechtbank benadrukt dat de uitspraak pas uitvoerbaar is na onherroepelijkheid en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM en belastingrente worden verminderd, immateriële schadevergoeding toegekend en proceskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10403
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.418 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig is € 19 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam] , verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking moeten worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 31 oktober 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Toyota Verso 1.6 VVT-i Dynamic met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 287.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 154 gram per kilometer met een bijbehorend bedrag aan bruto Bpm van € 8.464.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen van € 976. Verder is de inspecteur uitgegaan van een hogere CO2-uitstoot van de auto van 199 gram per kilometer zoals door de RDW is bepaald. De bruto Bpm bedraagt in dat geval € 25.079. De inspecteur heeft naar aanleiding van zijn bevindingen de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 5.705 en de naheffingsaanslag opgelegd. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze meest gunstig was.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de hertaxateur voldoende deskundig en onafhankelijk is en of hij voldoende rekening heeft gehouden met een waardevermindering wegens schade. Verder is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd en welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast.
4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de CO2-uitstoot van de auto 154 gram per kilometer bedraagt en dat de historische nieuwprijs kan worden vastgesteld aan de hand van de formule zoals belanghebbende bepleit. Verder is tussen partijen niet in geschil dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 8.661 bedraagt.
Onafhankelijkheid hertaxateur
4.2.
De rechtbank overweegt dat voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, reeds omdat de hertaxateur niet deskundig, objectief en onafhankelijk is, deze beroepsgrond faalt. Het staat de inspecteur immers vrij zijn standpunt te onderbouwen op een wijze die hem goeddunkt, mits geen sprake is van bewijs dat niet toelaatbaar is, wat hier niet het geval is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan te nemen dat de hertaxateur niet deskundig, onafhankelijk of objectief zou zijn. De rechtbank zal oordelen over het door beide partijen bijgebrachte bewijsmateriaal, op basis van zijn keuze, weging en waardering van het bewijsmateriaal. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het rapport van hertaxatie te verwerpen, zoals belanghebbende heeft gesteld.
Vertrouwensbeginsel
4.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. [2]
4.5.
Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende het in rechte te beschermen opgewekte vertrouwen mocht hebben dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor hem van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. [3]
Bruto Bpm en historische nieuwprijs
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat de CO2-uitstoot van de auto 154 gram per kilometer bedraagt. Belanghebbende heeft in haar aangifte vermeld dat de bijbehorende bruto Bpm € 8.464 bedraagt. In haar beroepschrift gaat belanghebbende echter uit van € 8.349. Belanghebbende heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor dit lagere bedrag. Aangezien belanghebbende in haar aangifte uitgaat van € 8.464 en de inspecteur in zijn verweerschrift ook en duiding van het lagere bedrag van € 8.349 ontbreekt, zal de rechtbank van € 8.464 uitgaan.
4.7.
De historische nieuwprijs kan in dat geval worden vastgesteld op € 30.958. De rechtbank verwijst hiervoor volledigheidshalve naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [4]
Afschrijvingsmethode
4.8.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.9.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 10.570 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 1.356 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Nu beide partijen uitgaan van een bedrag aan waardevermindering wegens schade is de rechtbank van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval in beginsel kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto vijf en half jaar oud is en 114.677 kilometer heeft gereden. De rechtbank gaat daarom uit van een waardevermindering van € 976, te weten 72% van € 1.356.
4.11.
De overige stellingen van de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport hoeven dan geen behandeling meer.
Hoogte naheffingsaanslag
4.12.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 30.958, een handelsinkoopwaarde van € 7.685 en een bruto Bpm van € 8.464 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 2.101, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 74, is € 2.027.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat afschrijving aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel leidt tot een bedrag aan verschuldigde Bpm van € 1.925 en daarom gunstiger is. De rechtbank zal daar daarom vanuit gaan. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 287 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 1.638. De belastingrentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.14.
Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 500 (5/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.638 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)
2.Hoge Raad 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524.
5.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.