ECLI:NL:RBZWB:2026:6388
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering terug te komen op intrekking WAO-uitkering bevestigd door rechtbank
Eiseres verzocht het UWV om terug te komen op de intrekking van haar WAO-uitkering per 20 juni 2005. Het UWV weigerde dit in een besluit van 3 juni 2024, waarna eiseres bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard in een besluit van 27 maart 2025. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De rechtbank stelde in een tussenuitspraak een motiveringsgebrek vast in het bestreden besluit, omdat de verzekeringsartsen niet voldoende inzichtelijk hadden gemotiveerd waarom bepaalde situaties uit de Incidentele Mededeling niet van toepassing waren. Het UWV kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
In de einduitspraak van 14 juli 2026 oordeelt de rechtbank dat het UWV dit motiveringsgebrek met een aanvullende motivering heeft hersteld. De verzekeringsarts b&b heeft duidelijk gemaakt dat de oorspronkelijke beoordeling in 2005 voldoende was gemotiveerd en gedragen werd door medische gegevens. De rechtbank wijst het beroep af omdat het verzoek om herziening niet evident onredelijk is en er geen aanleiding is een onafhankelijk deskundige te benoemen.
De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres. De uitspraak bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering.