ECLI:NL:RBZWB:2026:6388

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2343
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtStaatsblad 2004, 434
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terug te komen op intrekking WAO-uitkering bevestigd door rechtbank

Eiseres verzocht het UWV om terug te komen op de intrekking van haar WAO-uitkering per 20 juni 2005. Het UWV weigerde dit in een besluit van 3 juni 2024, waarna eiseres bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard in een besluit van 27 maart 2025. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank stelde in een tussenuitspraak een motiveringsgebrek vast in het bestreden besluit, omdat de verzekeringsartsen niet voldoende inzichtelijk hadden gemotiveerd waarom bepaalde situaties uit de Incidentele Mededeling niet van toepassing waren. Het UWV kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen.

In de einduitspraak van 14 juli 2026 oordeelt de rechtbank dat het UWV dit motiveringsgebrek met een aanvullende motivering heeft hersteld. De verzekeringsarts b&b heeft duidelijk gemaakt dat de oorspronkelijke beoordeling in 2005 voldoende was gemotiveerd en gedragen werd door medische gegevens. De rechtbank wijst het beroep af omdat het verzoek om herziening niet evident onredelijk is en er geen aanleiding is een onafhankelijk deskundige te benoemen.

De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres. De uitspraak bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2343 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. G.B.A. Bol),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze einduitspraak gaat over de weigering om terug te komen op de intrekking van de uitkering van eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden heeft geweigerd de intrekking van de WAO-uitkering te herzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het UWV het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld en dat het UWV terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering van eiseres. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 3 juni 2024 (primair besluit) geweigerd terug te komen op het besluit van 22 april 2005 waarbij de WAO-uitkering van eiseres per 20 juni 2005 werd beëindigd. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de partner van eiseres, mr. Heek zijnde een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en mr. M. Duric namens het UWV.
2.4.
In de tussenuitspraak van 30 maart 2026 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.5.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft hierop schriftelijke gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Voor een weergave van de feiten, de standpunten van partijen en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de verzekeringsartsen geen melding hebben gemaakt van de Incidentele Mededeling [1] in hun rapportages en dat zij daaraan niet kenbaar hebben getoetst. De verzekeringsartsen hebben niet per situatie uit de Incidentele Mededeling gemotiveerd waarom daarvan geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat geen sprake is van de situaties zoals beschreven onder 1, 2 en 3 in de Incidentele Mededeling. De verzekeringsartsen hebben echter niet inzichtelijk gemotiveerd waarom de situaties beschreven onder 4 en 5 (de motivering van de primaire verzekeringsarts is onvoldoende inzichtelijk of wordt niet gedragen door de verzamelde gegevens) zich niet voordoen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het bestreden besluit leidt aan een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft het UWV in haar tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
3.2.
De verzekeringsarts bezwaar & beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak ten aanzien van situatie 4 overwogen dat de primaire verzekeringsarts bij de herbeoordeling in 2005 op inzichtelijke wijze de aangenomen beperkingen heeft beargumenteerd. Er zijn in de rapportage geen inconsistenties gevonden tussen de gegevens. Er is op inzichtelijke wijze aangegeven dat er inconsistenties zijn bij eiseres. Zo heeft eiseres onder andere verteld dat zij om 13.00 uur opstaat vanwege haar vermoeidheid, echter om 11.00 uur op het spreekuur wordt een goed verzorgde vrouw, monter en fris gezien. Daarnaast claimt eiseres concentratieproblemen en vergeetachtigheid, echter tijdens het spreekuur worden op geen enkele wijze aanwijzingen voor cognitieve functiebeperkingen gesignaleerd. Het is daarbij inzichtelijk dat er geen urenbeperking aangenomen moet worden naast de overige aangenomen beperkingen. Verder zijn alle ervaren klachten en belemmeringen meegenomen in de functionele mogelijkheden lijst (FML) en de mate waarin is inzichtelijk. Het is namelijk afhankelijk van het feit dat er geen aperte afwijkingen waren bij psychisch en lichamelijk onderzoek.
Ten aanzien van situatie 5 heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat alle aanwezige medische gegevens aangeven dat er bij diverse specialisten geen duidelijke afwijkingen waren en de internist zelfs CVS/ME niet aannemelijk vond. De primaire verzekeringsarts is desondanks uitgegaan van CVS/ME en er zijn geen aanwijzingen dat er geen ziekte is. In tegendeel zelfs: er worden uitgebreide beperkingen aangenomen. De motivering van benutbare mogelijkheden in plaats van geen benutbare mogelijkheden is duidelijk en wordt gedragen door de verzamelde gegevens.
De verzochte verzekeringsgeneeskundige verdieping op basis van de tussenuitspraak geeft de verzekeringsarts b&b dan ook geen aanleiding om het standpunt alsnog te wijzigen.
3.3.
Eiseres heeft vervolgens schriftelijk gereageerd op de reactie van de verzekeringsarts b&b op de tussenuitspraak. Eiseres blijft erbij dat het er sterk op lijkt dat de verzekeringsarts b&b haar gewoonweg niet gelooft en daardoor bevooroordeeld is en daarbij alleen de dingen uit de medische informatie naar voren haalt die diens oordeel bevestigen. Eiseres meent juist dat sprake is van een consistent verhaal vanaf het begin af aan, zowel van haarzelf als wat blijkt uit de medische informatie, en dat zij slachtoffer is geworden van een nieuwe behandelwijze van het UWV in 2005. Eiseres is van mening dat het door de rechtbank geconstateerde gebrek in de motivering niet is hersteld en dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door het oordeel van de verzekeringsartsen. De primaire verzekeringsarts ( [persoon] ) bleek bovendien alleen te beschikken over het medisch onderzoeksverslag van 5 april 2005 dat hij had gekregen van eiseres. Daarom is de conclusie die heeft geleid tot het bestreden besluit niet correct en daarop is niet correct voortgeborduurd. Eiseres blijft van mening dat het UWV bij de beoordeling niet heeft voldaan aan de in de jurisprudentie geschetste kaders en de handvatten van het UWV zelf. Eiseres verzoekt daarom nogmaals om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek hersteld met de onder 3.2. weergegeven reactie van de verzekeringsarts b&b. De verzekeringsarts b&b heeft daarmee afdoende gemotiveerd dat de motivering van de verzekeringsarts in 2005 voldoende inzichtelijk was. Eveneens blijkt daaruit dat het medisch oordeel destijds gedragen werd door de medische gegevens. De verzekeringsarts b&b heeft dan ook afdoende gemotiveerd dat geen sprake was van een onjuiste verzekeringsgeneeskundige grondslag.
4.1.
De stelling van eiseres dat zij de dupe is geworden van een nieuwe behandelwijze van het UWV in 2005, kan naar oordeel van de rechtbank in deze procedure niet worden meegewogen. Blijkens de Nota van Toelichting bij het besluit van 18 augustus 2004 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten [2] heeft de regering namelijk bewust gekozen voor een nieuw stelsel waarbij de mogelijkheden van mensen meer gewicht krijgen.
De rechtbank kan aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen van een eerdere beslissing evident onredelijk is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [3] De beroepsgronden strekken met name tot heropening van de in het kader van de eerdere procedure gevoerde discussie of de WAO-uitkering van eiseres per 20 juni 2005 mocht worden beëindigd. Onderhavige procedure is echter niet gericht op het opnieuw inhoudelijk voeren van deze discussie. Dat eiseres tegen de eerdere beslissing op bezwaar geen beroep heeft ingesteld, dient voor haar rekening en risico te blijven. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het niet terugkomen van het eerdere besluit van 22 april 2005 als evident onredelijk is te beschouwen.
De verwijzing van eiseres naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 juli 2025 [4] , slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. In deze uitspraken was namelijk geen sprake van een herzieningsverzoek en dus sprake van een ander toetsingskader. Bovendien heeft de CRvB in deze uitspraken beoogd aan te geven welke waarde kan worden gehecht aan ingezette onderzoeksmethodes. Deze onderzoeksmethodes zijn hier echter niet ingezet. Deze uitspraken van de CRvB gaan dus voorbij aan onderhavige situatie.
Ook de verwijzing van eiseres naar het interne bericht van het UWV van 1 oktober 2025 naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB slaagt niet. Ook dit intern bericht heeft geen betrekking op herzieningsverzoeken. Bovendien is dit intern bericht van na de bestreden besluitvorming. Dat inmiddels sprake is van een gewijzigd inzicht betekent niet dat gegeven is dat sprake is van een onjuiste verzekeringsgeneeskundige grondslag of een onmiskenbaar onjuist besluit.
4.2.
Daarnaast heeft eiseres verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Er kan aanleiding bestaan om een onafhankelijk deskundige te benoemen als er twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling bestaat. Gelet op het voorstaande is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, aangezien het UWV dit gebrek inmiddels heeft hersteld en niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor is benadeeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aanvullende motivering niet leidt tot een wijziging van het standpunt van de UWV dat terecht is geweigerd terug te komen op de beëindiging van de WAO-uitkering van eiseres per 20 juni 2005. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
5.1.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank zal het UWV daarnaast om die reden veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
 veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 14 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.De Incidentele Mededeling is een interne werkinstructie ter uitvoering van de motie Vendrik waarin de handelwijze wordt beschreven die moet worden gevolgd bij een verzoek om terug te komen van een beschikking in gevallen waarbij de diagnose CVS/ME een rol speelt.
2.Staatsblad 2004, 434.