ECLI:NL:RBZWB:2026:6
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM met toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €6.452 opgelegd door de inspecteur, die de aanslag handhaafde op €10.731 op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld en beoordeelt dat de naheffingsaanslag terecht en correct is opgelegd.
De kern van het geschil betreft de toepasbaarheid van de herleidingsmethode en de hoogte van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. De rechtbank volgt het oordeel van de Hoge Raad van 11 juli 2025 dat de herleidingsmethode niet slaagt. De taxatiemethode van belanghebbende wordt niet gevolgd omdat de schade niet aannemelijk is gemaakt en de waardering van de koerslijsten onvoldoende aansluit bij de auto.
De rechtbank stelt vast dat de forfaitaire afschrijvingstabel het meest gunstig is en bevestigt de naheffingsaanslag van €10.731. Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer acht maanden. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en een proceskostenvergoeding van €233,50. Het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.