ECLI:NL:RBZWB:2026:5563

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
25/3394
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 lid 1 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres, werkzaam als schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan wegens klachten gerelateerd aan zwangerschap en chronische rugpijn. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank toetste het besluit aan medische rapporten van een primaire arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die beiden concludeerden dat eiseres aanzienlijke beperkingen heeft maar niet volledig arbeidsongeschikt is.

Eiseres stelde dat haar beperkingen werden onderschat en dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat geen medische informatie bij haar huisarts was opgevraagd. De rechtbank vond het onderzoek echter zorgvuldig en voldoende gemotiveerd, waarbij de subjectieve klachten niet doorslaggevend zijn. De verzekeringsartsen hadden de beperkingen adequaat vastgesteld en de functies die aan de arbeidsongeschiktheidsberekening ten grondslag lagen, waren passend.

De rechtbank concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid correct had vastgesteld op 10,78%, wat onvoldoende is voor een WIA-uitkering. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering is ongegrond verklaard omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3394 WIA

uitspraak van 24 juni 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om aan eiseres per 29 februari 2024 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is werkzaam geweest als schoonmaakster bij [bedrijf] B.V. Voor dat werk is zij op 1 november 2021 ziek uitgevallen omdat ze door de zwangerschap slaapproblematiek (in verband met jeukklachten) en pijnklachten in de bekkenbodem- en rug ervaarde.
Daarnaast ontving eiseres vanaf 19 april 2021 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij [bedrijf] B.V. Vanuit deze WW-uitkering is eiseres ook (op 1 november 2021) ziekgemeld.
Vanaf 24 december 2021 tot 22 april 2022 ontving eiseres een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Na afloop van de WAZO heeft eiseres zich aansluitend ziekgemeld.
Eiseres heeft op 19 november 2023 een WIA-uitkering aangevraagd.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 27 mei 2024 (primair besluit) geweigerd per 29 februari 2024 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen omdat eiseres minder dan 35% (te weten 1,91%) arbeidsongeschikt is. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, en namens het UWV [gemachtigde] .

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres per 29 februari 2024 voor minder dan 35% (te weten 10,78%) arbeidsongeschikt is. Omdat de maatmangegevens gewijzigd zijn, is het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd. Hieruit bleek dat er ook geduide functies met een hogere urenomvang aanwezig zijn. Hierdoor is het arbeidsongeschiktheidspercentage veranderd.
De rechtbank zal beoordelen of het bestreden besluit juist is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts (getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1.
De primaire arts heeft het dossier bestudeerd en eiseres gezien op het spreekuur van 28 februari 2024. Tijdens het spreekuur heeft een lichamelijk en oriënterend psychisch onderzoek plaatsgevonden. De arts heeft gerapporteerd dat eiseres werkte als schoonmaakster. Voor dit werk is zij uitgevallen met spanningsklachten met somatisering en aspecifiek chronische lage rugklachten, en claimt hierdoor belemmeringen op mentaal en fysiek vlak. Zij is niet onder behandeling. Zij gebruikt naproxen, ibuprofen, paracetamol en omeprazol. De prognose is dat de medische situatie naar verwachting op lange termijn bij de juiste belasting, oefening, therapie en afname van factoren, kan verbeteren. De beperkingen en belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 maart 2024.
7.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en heeft eiseres aansluitend aan de hoorzitting gezien op het spreekuur van 26 mei 2025. De verzekeringsarts b&b stelt dat er geen verzekeringsgeneeskundige gronden zijn om tot een ander oordeel te komen dan de primaire arts. De primaire arts geeft aan dat eiseres aspecifiek chronisch rugpijn en spanningsklachten met somatisering ervaart, wat aansluit met wat bekend is van uit het dossier. Er is geen aanvullende medische informatie aangeleverd in bezwaar, dus er is geen reden om te veronderstellen dat de gestelde diagnoses incorrect zouden zijn. Eiseres voldoet aan geen van de criteria van volledige arbeidsongeschiktheid, waardoor geen sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De primaire arts heeft door het afnemen van een uitgebreide anamnese, het uitvoeren van gericht lichamelijk onderzoek en het meenemen van de vooraf aanwezige medische informatie, beperkingen geduid die aansluiten bij de aard en ernst van de medische problematiek. Eiseres wordt hierbij beperkt geacht voor mentaal, fysiek en energetisch belastende activiteiten. Vanuit de spelende pathologie van het bewegingsapparaat en de psychosomatische klachten is eiseres beperkt voor fysiek sterk belastende activiteiten in de zin van fors torsen (tillen, dragen, duwen, trekken, klimmen, (trap)lopen, staan en zitten). Verder is eiseres beperkt voor diep/veelvuldig/langdurig bukken. Grofslagige trillingen of zware beschermende kleding (bijvoorbeeld loodschort) op het aangedane gebied zijn niet geschikt. Het zijn flinke beperkingen die passen bij de onderzoeksbevindingen. Enerzijds is van belang dat een verslechtering van de medische situatie door structurele overbelasting wordt voorkomen. Anderzijds is het van belang om bij deze problematiek in beweging te blijven en onderbelasting te voorkomen. Bij onderbelasting zal de conditie af kunnen nemen, met juist hierdoor een toename van ervaren pijnklachten bij belasting. Dit is conform het Advies van de Gezondheidsraad 2005.
Voor een urenbeperking is geen medische grondslag. Er zijn geen energetische tekorten die herleidbaar zijn tot een medisch objectiveerbare oorzaak. Ook is geen sprake van onbeschikbaarheid voor de arbeidsmarkt vanwege een lopende medische behandeling. Ten slotte zijn er geen aanwijzingen dat werkzaamheden op deze tijden tot een verslechtering van de gezondheidstoestand zou leiden.
Aan het vraagstuk van de duurzaamheid wordt nu niet toegekomen, omdat medisch gezien geen volledig arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.
De conclusie is dat de primaire medische beoordeling navolgbaar is. Er zijn in bezwaar geen redenen gebleken om hiervan af te wijken. Hierdoor zijn de beperkingen en belastbaarheid van eiseres in de FML van 20 maart 2024 correct vastgesteld.
7.3.
Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte heeft geoordeeld dat de eerdere beoordeling correct is geweest. Eiseres blijft van mening dat zij aanzienlijk meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen. Vanwege onder meer forse rugklachten heeft zij steeds minder mogelijkheden om te werken. In de afgelopen periode is zij ook minder gaan werken. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat zij al geruime tijd geleden een melding van toegenomen klachten heeft gedaan waar zij nog geen reactie op heeft gekregen. Er is van uit het UWV geen medische informatie opgevraagd bij onder meer haar huisarts. Hierdoor is het onderzoek onvoldoende zorgvuldig, in ieder geval met betrekking tot de dynamische handelingen en de statische houdingen.
Nu de toename van de klachten bij eiseres in niet alleen de afgelopen periode, maar ook in de periode voor de datum in geding duidt op noodzaak om minder te gaan werken, verzoekt zij een urenbeperking op preventieve gronden. In de bezwaarprocedure zijn bezwaren geuit over de omvang van de maatgevende arbeid en het maatmaninkomen. Daarbij is de maatmanomvang gewijzigd naar 36,50 uren per week. Eiseres acht een urenbeperking zonder meer aan de orde.
7.4.
De beroepsgronden geven het UWV geen aanleiding om anders te oordelen. Het UWV stelt zich op het standpunt dat zowel het primaire onderzoek als het onderzoek in bezwaar zorgvuldig zijn uitgevoerd. Eiseres is zowel in de primaire fase als in bezwaar gezien door een (verzekerings)arts. Er heeft lichamelijk en psychisch onderzoek plaatsgevonden, en er is uitgebreid gemotiveerd hoe de artsen tot hun oordeel komen.
De grond dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen, is niet onderbouwd met medische informatie. De enkele stelling is niet voldoende, omdat het alleen op basis van medisch objectiveerbare gegevens kan worden aangenomen. Daarbij geldt dat de huidige verslechtering van eiseres buiten deze procedure valt.
Het is geen vereiste voor een zorgvuldig onderzoek om medische informatie op te vragen. Eiseres was in de veronderstelling dat de primaire verzekeringsarts informatie ging opvragen bij de huisarts. De verzekeringsarts b&b heeft dit nagevraagd en er bleek geen intentie te zijn geweest om informatie op te vragen. Ook heeft de verzekeringsarts eiseres geen machtiging laten tekenen. De verzekeringsarts b&b ziet evenmin aanleiding om deze informatie alsnog op te vragen. Uit het beroepsschrift blijkt ook niet waarom deze informatie opgevraagd moet worden. Daarnaast staat eiseres vrij om medische informatie in te brengen in de procedure.
7.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiseres is door de primaire arts en de verzekeringsarts b&b gezien en is bij de primaire arts zowel lichamelijk als (oriënterend) psychisch onderzocht. Door de verzekeringsarts b&b zijn de dossiergegevens bestudeerd en is er kennisgenomen van het bezwaar. De medische bevindingen die zijn opgedaan tijdens het spreekuur van 26 mei 2025 worden uitgebreid weergegeven in de rapportage. Uit de rapporten van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten, waaronder haar rugklachten. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts b&b de beschikbare informatie onvoldoende heeft betrokken in het onderzoek of dat diens onderzoeksbevindingen onvoldoende zijn onderbouwd.
Anders dan eiseres heeft gesteld, heeft de verzekeringsarts b&b geen aanleiding hoeven zien om medische informatie op te vragen bij de huisarts. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een verzekeringsarts b&b op haar/zijn eigen oordeel kan afgaan bij het vaststellen van beperkingen. [1] De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er met eigen onderzoek en de in het dossier aanwezige informatie voldoende gegevens voorhanden waren om een weloverwogen oordeel te geven. Eiseres had zelf ook de mogelijkheid om in bezwaar of beroep informatie over te leggen van de huisarts, maar heeft dit niet gedaan. [2] Bovendien heeft eiseres op zitting aangegeven dat het om het huisartsenjournaal gaat, maar dat daar ten aanzien van de datum in geding waarschijnlijk geen relevantie informatie in staat.
7.6.
De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de belastbaarheid die de (verzekerings)artsen hebben aangenomen. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De rechtbank begrijpt dat eiseres aanzienlijke klachten en beperkingen ervaart en dat deze volgens haar niet overeenkomen met de beperkingen die de (verzekerings)artsen hebben aangenomen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de subjectieve beleving echter niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiseres zijn vast te stellen, maar zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen van belang. [3] Niet is gebleken dat in de FML van 20 maart 2024 de beperkingen van eiseres zijn onderschat.
7.7.
Volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan de verzekeringsarts de duurbelastbaarheid beperken op grond van de volgende indicatiegebieden:
  • stoornis in de energiehuishouding: als er wegens een aandoening extra recuperatieperiodes nodig zijn;
  • preventief: bij een aandoening waarvan bekend is dat ziekteverschijnselen optreden of verergeren;
  • verminderde beschikbaarheid: als de betrokkene wegens een noodzakelijke behandeling niet in staat is arbeid te verrichten.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat er ten onrechte geen urenbeperking op preventieve gronden is aangenomen. Ook de op zitting ingenomen stelling dat eiseres een urenbeperking nodig heeft op energetische gronden, in verband met recuperatiebehoefte, volgt de rechtbank niet. De motivering van de (verzekerings)artsen kan hierin worden gevolgd. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres flink beperkt geacht voor mentaal, fysiek en energetisch belastende activiteiten. Hierbij is ook aangegeven dat het van belang is een verslechtering van de medische situatie door structurele overbelasting te voorkomen, maar dat het ook van belang is om bij deze problematiek in beweging te blijven om onderbelasting te voorkomen. Door het aannemen van beperkingen die arbeid voor eiseres passend maken, neemt het risico op over- en onderbelasting af, waardoor er geen reden is om een urenbeperking te hanteren. Eiseres heeft haar standpunt over een verdergaande urenbeperking overigens ook niet onderbouwd met medische informatie.
7.8.
Voor de verdere beoordeling kan dan ook worden uitgegaan van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 20 maart 2024.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: archiefmedewerker (SBC-code 315132), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173). Daarnaast zijn als reservefuncties de functies van telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) geschikt.
8.1.
De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Het standpunt van eiseres dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. De hiervoor genoemde functies mochten daarom worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.1.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 februari 2024 heeft vastgesteld op 10,78%. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 29 februari 2024.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht heeft geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier, op 24 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
In artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB van 30 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1163.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1908.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB van 24 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1510.