Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 15 maart 2024 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, voormalig medewerker bedrijfsbureau, is sinds 12 november 2018 arbeidsongeschikt door een doorgemaakte CVA. Het UWV kende hem per 9 november 2020 een WIA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 77,83%. Eiser maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen onderschat waren en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die na uitgebreid dossieronderzoek, neurologisch onderzoek en beeldvorming concludeerde dat de beperkingen van eiser niet waren onderschat. De verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige van het UWV bevestigden dit standpunt, waarbij ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd gemotiveerd en bevestigd.
Eiser voerde aan dat hij niet in staat was de functies uit te voeren vanwege concentratieproblemen en opleidingsniveau, maar de rechtbank volgde de arbeidsdeskundige die stelde dat de functies passend zijn binnen de belastbaarheid en opleiding van eiser. Het medisch onderzoek werd als zorgvuldig beoordeeld, ondanks het ontbreken van een fysiek spreekuur.
De rechtbank concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 77,83% juist is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van 77,83% wordt bevestigd.