Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5323

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/12021 en 23/12022
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende deed aangifte voor BPM op twee auto's, een BMW X5 M50d en een Audi Q3, en betaalde respectievelijk €7.187 en €12.677. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op van in totaal €5.495 en belastingrente van €45, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is, maar voor de BMW te hoog is vastgesteld. De rechtbank stelt de verschuldigde BPM voor de BMW vast op €10.544, vermindert de naheffing tot €3.357 en handhaaft de naheffing voor de Audi.

Belanghebbende voerde aan dat de taxatiemethode toegepast moest worden vanwege meer dan normale gebruiksschade, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk gelet op de taxatierapporten, foto's en het ontbreken van schade door DRZ. De rechtbank gaat uit van normale gebruikssporen. Voor de BMW wordt de koerslijstmethode toegepast, waarbij de rechtbank de koerslijst van DRZ volgt en de historische nieuwprijs verhoogt conform een arrest van de Hoge Raad.

Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer tien maanden. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 17 juni 2026.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €5.109 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/12021 en 23/12022

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.495 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 45 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 4 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW X5 M50d High Executive met VIN-nummer [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.187.
3.1.
Belanghebbende heeft op 31 januari 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi Q3 met VIN-nummer [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 12.677.
3.2.
Belanghebbende heeft in beide aangiften een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat voor auto 1 de verschuldigde Bpm € 10.930 bedraagt en voor auto 2 € 14.429 en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode – auto 1 en auto 2
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode – auto 1 en auto 2
4.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van auto’s met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangiften sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto’s heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar haar taxatierapporten en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Gelet op de leeftijd van de auto’s en de gereden kilometers is de rechtbank van oordeel dat sprake is van normale gebruikssporen. De stelling van belanghebbende dat de auto’s tot het topsegment behoren waardoor sneller sprake is van meer dan normale gebruiksschade is onvoldoende onderbouwd. De aankoopprijzen van de auto’s geven ook een indicatie dat de auto’s niet meer beschadigingen hebben dan de gemiddelde auto die in de koerslijst voorkomt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden bij auto 1 geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot de taxatierapporten heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto’s niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
4.3.
Voorgaande betekent dat de naheffing voor auto 2 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep daartegen slaagt niet. Voor auto 1 is tussen partijen nog in geschil of dan de koerslijstmethode kan worden toegepast en zo ja, van welke waarden moet worden uitgegaan. De rechtbank zal daar hieronder op ingaan.
Koerslijstmethode - auto 1
4.4.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst van XRay kan worden gevolgd. Daarin staat een historische nieuwprijs inclusief opties van € 143.002 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 44.314. Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs nog moet worden verhoogd gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. [2] Belanghebbende heeft de auto voor € 67.000 gekocht.
4.5.
De inspecteur heeft de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde betwist gezien de verschillen tussen de auto en de referentieauto. Daarnaast heeft hij gesteld dat de koerslijst XRay die DRZ heeft gebruikt beter is omdat daarin meer opties zijn opgenomen. Daarin staat een historische nieuwprijs van € 148.713 inclusief opties ter waarde van € 18.672 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 45.195. Daarnaast heeft de inspecteur in beroep een koerslijst van AutotelexPro ingebracht, waarin volgens hem de opties juist zijn verwerkt en waaruit een meer realistische handelsinkoopwaarde volgt van € 59.305.
4.6.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door belanghebbende bepleitte vermindering van de naheffingsaanslag heeft betwist, en het daarom op de weg van belanghebbende ligt om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [3] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren van een historische nieuwprijs en een handelsinkoopwaarde die leiden tot een hoger afschrijvingspercentage van de auto.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat de koerslijsten allen zien op een BMW X5 M50d High Executive en de auto van hetzelfde merk, type en leeftijd is. De rechtbank acht aannemelijk dat aan de voorwaarden voor toepassing van de koerslijstmethode is voldaan. [4] Het verschil in CO2-uitstoot en opties met de referentieauto is niet zodanig dat in dit geval sprake is van een andere uitvoering. Dit betekent dat de koerslijst kan worden gebruikt om de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde vast te stellen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat DRZ teveel opties heeft meegenomen. De rechtbank acht de koerslijst XRay van DRZ in dit geval completer dan de koerslijst XRay van de taxateur van belanghebbende en zal daarvan uitgaan. Verder mag belanghebbende uitgaan van de meest gunstige koerslijst, mits deze goed is ingevuld, en is er daarom geen aanleiding om uit te gaan van de hogere waarden uit de koerslijst van AutotelexPro.
4.8.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 154.166. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [5] .
Hoogte naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking
4.9.
Uitgaande voor auto 1 van een historische nieuwprijs van € 154.166, een handelsinkoopwaarde van € 45.195 en een historische bruto Bpm van € 35.968, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm voor auto 1 vast op € 10.544. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.187 (auto 1) zodat de naheffing voor auto 1 moet worden verminderd tot € 3.357. De naheffing voor auto 2 van € 1.752 blijft in stand. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 5.109. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.10.
Belanghebbende heeft op 19 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 8 september 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 10 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000. Dit bedrag komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 5.109 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig wordt verminderd. Belanghebbende heeft verder recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 5.109;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
4.Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.
5.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
6.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.