Belanghebbende, die in 2020 naar Frankrijk emigreerde, kreeg een conserverende aanslag IB/PVV opgelegd over een te conserveren inkomen van €326.183 en een revisierente van €65.236. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd, maar dat het bedrag te hoog was vastgesteld. De pensioenopbouw bij Centraal Beheer was deels vóór 15 juli 2009, waardoor niet het volledige pensioenbedrag tot het loon gerekend mocht worden. Ook was het bedrag van het pensioen bij Nationale Nederlanden ten onrechte meegenomen. De rechtbank stelde het te conserveren inkomen vast op €173.180 en paste de revisierente dienovereenkomstig aan.
Belanghebbende had ook een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens onrechtmatig handelen, maar dit werd afgewezen omdat de informatie die tot vermindering leidde pas in de beroepsfase werd aangeleverd en er geen schade was aangetoond.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, mat de aanslag en revisierente, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.