ECLI:NL:RBZWB:2026:5154
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woonzorgcentrum en vernietiging gebruikersaanslag OZB
Belanghebbende, huurder van een woonzorgcentrum, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €7.330.000 en de opgelegde gebruikersaanslag OZB door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. De rechtbank beoordeelde het beroep na behandeling op zitting waarbij gemachtigde en taxateur van belanghebbende en vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar aanwezig waren.
De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde te hoog had vastgesteld en ten onrechte een gebruikersaanslag OZB had opgelegd. De onroerende zaak werd als woning aangemerkt omdat 72% van de waarde diende tot woning of was dienstbaar aan woondoeleinden, waaronder de gangen die niet meer dan incidenteel voor andere doeleinden werden gebruikt.
De heffingsambtenaar kon de waarde onvoldoende onderbouwen, met name door het niet aannemelijk maken van de juiste restwaarde en het niet adequaat betrekken van einddata van referentieobjecten. Belanghebbende slaagde er ook niet in een aannemelijke lagere waarde te onderbouwen. Daarom stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €7.000.000.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de WOZ-waarde, vernietigde de gebruikersaanslag OZB en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De rechtbank wees ook op de ongeschiktheid van de bestuursrechter om te oordelen over de uitbetaling van proceskosten aan een ander dan belanghebbende en bevestigde dat de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt verminderd tot €7.000.000 en de gebruikersaanslag OZB vernietigd.