ECLI:NL:RBZWB:2026:500
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar maatwerkvoorschrift Waterwet ongegrond verklaard
De minister van Infrastructuur en Waterstaat stelde op 22 december 2023 een maatwerkvoorschrift vast waarin het plaatsen van visfuiken of visnetten op bepaalde locaties werd verboden. Opposante maakte hiertegen bezwaar op 1 februari 2024, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij op 1 juli 2024 beroep in, maar dit werd door de rechtbank afgewezen wegens niet-tijdige indiening. Opposante diende daarop opnieuw bezwaar in op 6 juni 2025, dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het besluit onherroepelijk was geworden. Hiertegen stelde opposante beroep in, dat op 29 juli 2025 ongegrond werd verklaard.
Tegen deze uitspraak stelde opposante verzet in. De rechtbank oordeelde dat het verzet ontvankelijk was omdat de verzendwijze van de uitspraak ertoe leidde dat opposante de uitspraak pas later ontving en het verzet daarom tijdig was ingediend. Inhoudelijk werd het verzet echter ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dat een tweede bezwaar tegen een onherroepelijk besluit niet mogelijk is en dat het beroep terecht kennelijk ongegrond werd verklaard. De inhoudelijke argumenten van opposante betroffen het besluit zelf en niet de ontvankelijkheid, waardoor het verzet niet slaagde.
De rechtbank overwoog verder dat er geen aanwijzingen waren dat opposante verzet had ingesteld tegen de eerdere uitspraak van 4 maart 2025. Tevens werd opgemerkt dat een bestuursorgaan moet nagaan of een te laat ingediend bezwaar ook kan worden opgevat als een verzoek om terug te komen van een onherroepelijk besluit, maar dat dit in deze zaak niet aan de orde was. De uitspraak van 30 januari 2026 bevestigt de onherroepelijkheid van het besluit en sluit het verzet af.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.