ECLI:NL:RBZWB:2026:5
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen door de rechtbank
In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende, een B.V. uit [plaats], tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst van 7 december 2023. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.819, welke hij handhaafde na het ongegrond verklaren van het bezwaar van belanghebbende. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij mr. M.U. Sahin namens belanghebbende en twee inspecteurs namens de Belastingdienst aanwezig waren.
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende had op 25 april 2023 aangifte gedaan voor de registratie van een Ford C-Max en een bedrag van € 1.121 aan Bpm voldaan. De inspecteur had echter een hertaxatie laten uitvoeren, waaruit bleek dat de verschuldigde Bpm € 4.940 bedroeg. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat het beroep ongegrond is.
Daarnaast heeft belanghebbende op 19 december 2023 verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 500 toe. De rechtbank oordeelt dat de Staat verantwoordelijk is voor deze vergoeding, evenals voor de proceskosten van € 233,50 die aan belanghebbende moeten worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.