ECLI:NL:RBZWB:2026:5
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 3.819 die door de inspecteur is opgelegd na een hertaxatie waarbij de verschuldigde BPM werd vastgesteld op € 4.940. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld en beoordeelt of de aanslag terecht en correct is opgelegd.
De kern van het geschil betreft de toepasbaarheid van de herleidingsmethode en de waardevermindering wegens schade aan de auto. De rechtbank volgt het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 en verwerpt het beroep op de herleidingsmethode. Daarnaast acht de rechtbank de door belanghebbende opgevoerde schade niet aannemelijk, mede gelet op de leeftijd en kilometerstand van de auto en de bevindingen van de hertaxateur.
De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast op € 45.470 en de handelsinkoopwaarde op € 13.862, waarmee de verschuldigde BPM € 4.941 bedraagt. De naheffingsaanslag is daarmee niet te hoog opgelegd. Verder kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer vier maanden. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en een deel van de proceskosten.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een vergoeding voor de termijnoverschrijding en de proceskosten van het verzoek daarom.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.