Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Motivering
De stelling van de inspecteur dat de aard van de werkzaamheden van belanghebbende tot de conclusie moet leiden dat geen sprake is van een stage gelet op de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 oktober 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:7267), treft geen doel. De rechtbank acht daarvoor van belang dat in die situatie nauw is aangesloten bij de contractuele bepalingen tussen de betreffende partijen. De onderhavige situatie is in die zin afwijkend dat het hier gaat om een situatie waarbij drie partijen betrokken zijn, namelijk belanghebbende, de inhoudingsplichtige en de Franse overheidsinstelling. Deze situatie is dus wezenlijk anders en lijkt daardoor ook juist te wijzen op het verrichten van werk gericht op het uitbreiden van kennis en ervaring van belanghebbende. Op voorhand valt niet in te zien waarom de Franse overheid daar voor zichzelf een taak ziet indien dit niet betreft de ontwikkeling van de betrokken deelnemer(s). Belanghebbende onderbouwt dus met haar verwijzing naar de contractuele relatie dat haar werk in het kader van een stage of opleiding is verricht. Daartegenover heeft de inspecteur geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat dit anders ligt.