Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de directie van de RDW (de RDW), verweerder.
Samenvatting
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
De RDW ziet verder geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gelet op de stelling van eiser dat het voertuig al eerder was onderzocht en goedgekeurd door de RDW in 2009. Een controle of APK-keuring is namelijk niet hetzelfde als een identiteitsonderzoek. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) dat ook wanneer een voertuig eerder is onderzocht door de RDW bijvoorbeeld bij de import of bij een algemeen periodieke keuring, nog steeds twijfel kan ontstaan over de identiteit van een voertuig. [3] Het gaat daarbij om de toestand van het voertuig ten tijde van het gelaste identiteitsonderzoek.
Artikel 2.1 van de Regeling voertuigen gaat over het identiteitsonderzoek. De wijze van onderzoek is uitgewerkt in Bijlage I. In artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen is vastgelegd dat indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, geen voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld. Onder hoofdonderdelen van een voertuig zoals in het onderhavige geval wordt op grond van artikel 1 van Pro deze bijlage verstaan: het chassis, de aandrijflijn en de carrosserie.
Volgens vaste rechtspraak mag het bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [10] Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
De rechtbank stelt vast dat de inhoud van het deskundigenrapport niet expliciet door eiser wordt betwist en de rechtbank heeft geen andere redenen om te twijfelen aan de bevindingen in de deskundigenrapportage. De rechtbank concludeert daarom dat vaststaat dat geen VIN voor het voertuig kan worden vastgesteld op grond van artikel 5, vierde en vijfde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen.
Hoewel eiser de inhoud van de deskundigenrapportage niet heeft betwist, heeft hij wel aangevoerd dat hij het oneens is dat de RDW enerzijds de aandrijflijn betrekt bij het identiteitsonderzoek en anderzijds dat voor de carrosserie het ontbreken van de deursticker wordt meegenomen. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2015. In die zaak heeft de RDW de tenaamstelling vervallen verklaard omdat de identiteit van de carrosserie niet meer was vast te stellen, omdat het unieke identiteitskenmerk, het typeplaatje op de carrosserie, verwijderd is geweest. [12] De omstandigheden in die zaak zijn echter niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In de eerste plaats had de eisende partij de restauratie van zijn voertuig uitvoerig gedocumenteerd. Ten tweede werd bij het in die procedure aan de orde zijnde voertuig – een Land Rover – geen VIN in de carrosserie ingeslagen door de fabrikant, maar daarop werden typeplaatjes aangebracht. Ten derde is in die zaak niet gebleken dat de RDW voorlichting heeft gegeven ten aanzien van de gevolgen van het ten behoeve van de restauratie van een voertuig tijdelijk verwijderen van het typeplaatje. Eiser heeft geen documentatie overgelegd over restauraties, bij het Voertuig van eiser is geen sprake is van het inslaan van het VIN op een typeplaatje én in 2009 is eiser door de RDW gewaarschuwd over de gevolgen van toekomstige veranderingen in het samenstel van het Voertuig.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de aandrijflijn en carrosserie niet betrokken zouden mogen worden in het identiteitsonderzoek. Zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft opgemerkt, zijn de carrosserie en de aandrijflijn aangewezen als hoofdonderdelen. [13] Uit artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, van de Regeling voertuigen volgt dat de RDW de hoofdonderdelen betrekt in het identiteitsonderzoek. Ook het argument dat de deursticker ten onrechte zou zijn meegenomen in de beoordeling omdat niet expliciet uit de regelgeving volgt dat deze sticker aanwezig moet zijn, treft geen doel. Uit artikel 5, eerste lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen volgt namelijk dat de vaststelling van het VIN geschiedt aan de hand van het in het Voertuig ingeslagen VIN of overige voertuigkenmerken op grond waarvan eenduidig het VIN kan worden herleid. De constructiesticker is een middel om de carrosserie te identificeren omdat daarop (bij deze voertuigen) het VIN is vermeld. Dat bij APK-keuringen de identificatie van het Voertuig anders zou verlopen volgens eiser, is niet relevant. Een APK-keuring is namelijk iets anders dan een identiteitsonderzoek.
Het betoog van eiser dat de Kentekenbewijzenrichtlijn in de weg stond aan het onderzoek van de RDW, slaagt ook niet. Deze richtlijn heeft betrekking op de harmonisatie van de inhoud en vormgeving van kentekenbewijzen om het gemakkelijker te maken om voertuigen die in een andere Lidstaat waren ingeschreven opnieuw in het verkeer te brengen. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. De Kentekenbewijzenrichtlijn staat er niet aan in de weg dat een voertuig dat eerder afkomstig was uit een andere Lidstaat en vervolgens te naam is gesteld en is ingeschreven in het kentekenregister, nadat het hier in het verkeer is gebracht aan een identiteitscontrole mag worden onderworpen als daartoe een rechtsgeldige aanleiding bestaat. In dat kader mag de RDW de maatstaven hanteren zoals neergelegd in de wet- en regelgeving. Dat andere Europese landen het vaststellen van de identiteit van het voertuig anders hebben geregeld, wat daarvan ook zij, doet hieraan niet af. [22]
Het vervallen verklaren van de tenaamstelling op grond van artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, van de WVW gelezen in samenhang met artikel 40b, vierde lid, van het Kentekenreglement is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat de RDW na afweging van de betrokken belangen kan afzien van het vervallen verklaren van de tenaamstelling. Indien een bestuursorgaan beleidsruimte toekomt, is het aan het bestuursorgaan om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. De bestuursrechter toetst of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). [23]