Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2911

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/5105, 25/5106, 25/5109 t/m 25/5111
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:11 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid beroepen wegens niet tijdig griffierecht

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen uitspraken van 26 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig betalen van griffierecht. Belanghebbende stelde dat het griffierecht slechts eenmaal verschuldigd was vanwege samenhang van de zaken en dat het niet tijdig betalen verschoonbaar was omdat de rechtbank niet op het verzoek tot gezamenlijke behandeling had gereageerd.

De rechtbank oordeelt dat voor elk afzonderlijk beroepschrift griffierecht verschuldigd is, conform het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023. De rechtbank wees belanghebbende erop dat bij niet tijdige betaling de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard. Het niet betalen van griffierecht omdat belanghebbende meent dat sprake is van samenhang, ligt in zijn risicosfeer.

Belanghebbende heeft het griffierecht voor sommige zaken alsnog betaald, maar niet tijdig voor de zaken BRE 25/5105 en 25/5109. Het griffierecht voor BRE 25/5109 is teruggestort omdat betaling na termijn niet mogelijk was. De rechtbank verwierp het verzet en oordeelde dat het griffierecht niet tijdig betalen niet verschoonbaar was en dat dit niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro.

De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en de eerdere uitspraken in stand blijven. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de beroepen blijven niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/5105, 25/5106, 25/5109 t/m 25/5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] (België), belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraken van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraken van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraken van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert in verzet aan dat het niet tijdig voldoen van griffierecht verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb, omdat de rechtbank niet heeft gereageerd op het verzoek om gezamenlijke behandeling van de zaken BRE 25/5105 t/m 25/5111. Het griffierecht voor één van de samenhangende zaken (BRE 25/5107) is tijdig voldaan op 26 oktober 2025. Het griffierecht voor de zaken BRE 25/5105, 25/5106 en 25/5109 t/m 25/5111 is voldaan na de uitspraken van 26 januari 2026. Het onthouden van toegang tot de rechter wegens het niet betalen van griffierecht – dat inmiddels is voldaan – is disproportioneel en in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM [2] omdat voor een beperkte termijnoverschrijding het zwaarste processuele gevolg wordt tegengeworpen.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepassing van artikel 8:41 van Pro de Awb
3. Belanghebbende stelt in de kern dat slechts één keer griffierecht verschuldigd is voor de door hem ingestelde beroepen, waardoor hij aan zijn verplichting om griffierecht te betalen heeft voldaan. Om te bepalen of daarvan sprake is, is het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023 [3] relevant. Belanghebbende heeft op 6 oktober 2025 drie beroepschriften ingediend. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voor ieder beroepschrift afzonderlijk griffierecht is verschuldigd. [4] De rechtbank heeft belanghebbende in de ontvangstbevestiging van de zaken BRE 25/5105 en 25/5106 aangegeven dat in verband met de samenhang van deze zaken slechts eenmaal griffierecht wordt geheven en belanghebbende dus alleen onder zaaknummer BRE 25/5105 een nota ontvangt voor het griffierecht. Ook in de ontvangstbevestiging van de zaken BRE 25/5109 t/m 25/5111 heeft de rechtbank aangegeven dat in verband met de samenhang van deze zaken slechts eenmaal griffierecht wordt geheven en belanghebbende dus alleen onder zaaknummer BRE 25/5109 een nota ontvangt voor het griffierecht. In beide ontvangstbevestigingen wordt belanghebbende erop gewezen dat, indien het griffierecht niet binnen de op de nota vermelde termijn is bijgeschreven, alle vermelde beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.1.
De griffier heeft op 5 november 2025 belanghebbende twee aangetekende nota’s toegezonden waarin staat vermeld dat belanghebbende binnen vier weken na dagtekening van de nota, dus uiterlijk 3 december 2025, het griffierecht moet betalen. Dat betekent dat het hele bedrag dus binnen die termijn moet zijn betaald. Het niet tijdig betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan belanghebbende kan worden verweten. [5]
3.2.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in het standpunt dat het niet tijdig voldoen van het griffierecht niet aan belanghebbende te wijten is, omdat de rechtbank niet zou hebben gereageerd op het verzoek om gezamenlijke behandeling. De rechtbank ziet in een dergelijk verzoek geen verband met de betaling van griffierecht. Uit de ontvangstbevestiging en de verzonden nota’s blijkt duidelijk dat belanghebbende voor de zaken BRE 25/5105, 25/5106 en 25/5109 t/m 25/5111 tweemaal griffierecht was verschuldigd. Verder is het zo dat het niet-betalen van griffierecht omdat belanghebbende zelf vindt dat sprake is van samenhang waarbij de rechtbank later anders beslist, in zijn risicosfeer ligt. [6]
Het griffierecht is alsnog betaald
4. Belanghebbende stelt het griffierecht alsnog te hebben voldaan. De rechtbank merkt op dat zij in de zaak BRE 25/5105 geen betaling heeft ontvangen. Het door belanghebbende overgelegde betaalbewijs ziet, gelet op het genoemde betalingskenmerk, op de zaak BRE 25/5107. Het betaalde griffierecht in de zaak BRE 25/5109 is op dezelfde dag aan belanghebbende teruggestort, omdat het niet mogelijk is het griffierecht na de gestelde termijn alsnog te betalen.
Strijd met artikel 6 EVRM Pro
5. De rechtbank volgt belanghebbende ook niet in het standpunt dat de uitspraken disproportioneel zijn en in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Artikel 6 EVRM Pro verzet zich niet tegen de heffing van griffierecht voor de behandeling van een beroep. Strijdigheid met die bepalingen doet zich pas voor indien een zodanig bedrag aan griffierecht wordt geheven, dat dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. [7] Uit de uitspraak of de stukken blijkt niet dat belanghebbende heeft aangevoerd dat voor hem het verschuldigde bedrag aan griffierecht – mede gelet op de voor hem in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter heeft gevormd. De rechtbank heeft ook verder geen aanleiding tot die conclusie te komen.

Conclusie en gevolgen

6. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraken van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraken in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Artikel 8:41 van Pro de Awb en Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560.
5.Artikel 8:41, zesde lid van de Awb.
6.Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:560, r.o. 3.3.7.
7.Vgl. Hoge Raad 10 januari 2001, nr. 35782, ECLI:NL:HR:2001:AA9393, en ook Europees Hof voor de Rechten van de Mens 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803, paragraaf 48).