ECLI:NL:RBZWB:2026:278

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
RK 25-029562
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op klaagschrift ex artikel 552a Sv inzake beslag op sieraden en geldbedrag

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat was ingediend door klaagster, vertegenwoordigd door haar raadsman mr. R. Zilver. Het klaagschrift was gericht tegen het beslag dat was gelegd op sieraden en een geldbedrag van in totaal € 77.490,00 in de strafzaak tegen [belanghebbende]. De rechtbank heeft vastgesteld dat een deel van de in beslag genomen sieraden inmiddels aan klaagster is teruggegeven, waardoor zij voor dat deel niet-ontvankelijk is verklaard in haar klaagschrift. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven om het klaagschrift voor het resterende beslag ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank heeft de procedure in raadkamer gevoerd, waarbij de officier van justitie mr. S. Massier en de raadsman van klaagster aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van bepaalde sieraden en een geldbedrag van € 22.500,00. De rechtbank heeft de teruggave van deze goederen gelast, maar klaagster moet zelf de specifieke sieraden identificeren. Voor de overige inbeslaggenomen goederen heeft de rechtbank geoordeeld dat klaagster niet als rechthebbende kan worden aangemerkt, waardoor het klaagschrift voor dat deel ongegrond is verklaard. De beslissing is genomen door de rechters in tegenwoordigheid van de griffier en is op een openbare zitting uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-811160-13 ( [belanghebbende] )
rk.nummer: 25-029562
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van:
[klaagster]
geboren op [geboortedag] 1942
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. R. Zilver, Maliesingel 2, 3581 BA Utrecht

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 14 november 2025 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94a Sv, waaruit blijkt dat in de strafzaak tegen [belanghebbende] sieraden en een geldbedrag van in totaal € 77.490,00 in beslag zijn genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 7 januari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de volgende personen gehoord:
- officier van justitie mr. S. Massier;
- klaagster;
- raadsman van klaagster mr. R. Zilver en
- [belanghebbende] .
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat de sieraden en het geldbedrag toebehoorden aan [naam 1] . De sieraden betreffen investeringen en familie-erfstukken. Het geldbedrag is door [naam 1] op legale wijze verdiend. Ter onderbouwing van dit standpunt zijn foto’s, verklaringen en facturen overgelegd. Over het beslag is eerder door [naam 1] het klaagschrift met nummer 17-007078 ingediend en door de rechtbank beoordeeld. Voornoemde stukken vormen naar de mening van de raadsman de nieuwe feiten en omstandigheden waardoor het klaagschrift inhoudelijk kan worden behandeld. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat door het tijdsverloop de toets van de proportionaliteit van het beslag anders is komen te liggen. [naam 1] is na de behandeling van het eerdere klaagschrift overleden. Desgevraagd is in raadkamer bevestigd dat klaagster een deel van de sieraden terug heeft gekregen. Die sieraden zijn door klaagster getoond. Klaagster refereert zich voor deze sieraden aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft meegedeeld dat een deel van het beslag op de sieraden is opgeheven gelet op nieuwe richtlijnen bij Domeinen. Deze sieraden zijn al teruggegeven en voor deze sieraden moet klaagster niet-ontvankelijk worden geacht. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in vergelijking met het klaagschrift met nummer 17-007078. Naar de mening van de officier van justitie geeft het tijdsverloop in deze zaak geen aanleiding voor een nieuwe beoordeling. Zij heeft verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in het klaagschrift.

2.De beoordeling

2.1
Formaliteiten en vooropstelling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De rechtbank stelt vast dat een deel van de sieraden inmiddels is teruggegeven en in bezit zijn van klaagster. Het gaat hierbij om de sieraden met de volgende nummers:
- Goednr_380395
- Goednr_380392
- Goednr_380382
- Goednr_380385
- Goednr_380388
- Goednr_380377
- Goednr_380376
- Goednr_380371
- Goednr_380372
- Goednr_380368
- Goednr_380359
- Goednr_380354
- Goednr_380357
- Goednr_380358
- Goednr_380336
- Goednr_380331
De rechtbank is van oordeel dat klaagster geen belang meer heeft bij het klaagschrift voor zover het zich richt op het beslag van deze sieraden. Zij zal klaagster voor dit onderdeel van het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren. De verdere beoordelingen zien uitsluitend op het resterende beslag.
De rechtbank constateert dat er eerder een klaagschrift tegen het beslag is ingediend door de inmiddels overleden echtgenoot van klaagster. Dit klaagschrift is door de rechtbank op 22 maart 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat er een groot tijdsverloop is tussen de behandeling van dat klaagschrift en het moment van indienen van het huidige klaagschrift. Gedurende deze gehele periode is het beslag blijven rusten op de inbeslaggenomen sieraden en het geld. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat namens klaagster stukken zijn ingediend over het inbeslaggenomen geld. Die stukken zijn in de eerdere procedure niet ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank geven dit tijdsverloop en de nieuwe stukken voldoende grond om klaagster ontvankelijk te achten in het klaagschrift gericht tegen het resterende beslag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
2.2
Conservatoir beslag
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [1] moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Als klager een derde is tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zich niet richt, dan zal de rechtbank moeten beoordelen of klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Zij mag daarbij civielrechtelijke aspecten betrekken. De rechtbank hoeft daarbij geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties te beslechten [2] . Het gaat om een voorlopig oordeel over eigendomsrechten [3] . Als de rechtbank oordeelt dat klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dan moet zij vervolgens kijken of er sprake is van een situatie als genoemd in artikel 94a lid 4 of lid 5 Sv [4] .
Op 11 november 2025 heeft de rechtbank klaagsters [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , zijnde
respectievelijk twee dochters en een kleindochter van [naam 1] , niet ontvankelijk verklaard in hun beklag. Bij de voorafgaande behandeling in raadkamer is door [naam 2] en [naam 3] namelijk verklaard dat [naam 1] in gemeenschap van goederen was getrouwd met [klaagster] en dat hij geen testament heeft opgemaakt. Uitgaande van die gegevens heeft de rechtbank geoordeeld dat dit volgens de regels van het erfrecht enerzijds betekent dat als erfgenamen van [naam 1] aangemerkt worden zijn echtgenote [klaagster] en zijn drie kinderen, te weten [naam 2] , [belanghebbende] en [naam 3] , maar anderzijds dat de erfenis van [naam 1] in de huwelijkse gemeenschap van goederen valt. Door de wettelijke verdeling komen alle goederen uit de nalatenschap van [naam 1] toe aan zijn echtgenote [klaagster] . Bovendien hebben [naam 2] en [naam 3] in de voornoemde raadkamer bevestigd dat het de bedoeling is dat het geld en de sieraden teruggaan naar [klaagster] : klaagster in deze procedure. Bij de behandeling in raadkamer op 7 januari 2026 heeft ook belanghebbende (zoon) [belanghebbende] verklaard dat de sieraden en het geld niet van hem zijn, maar naar zijn moeder moeten.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt van een aantal oorbellen, twee horloges, een brede armband voor een vrouw met bijbehorende halsketting en een halsketting voor een man (een soort Cartier) uit het indertijd in beslag genomen groene geldkistje. Die zijn door [naam 1] meteen genoemd in zijn politieverhoor van 24 maart 2017. Die waren al vijftig jaar oud en afkomstig van de ouders en schoonouders van wijlen [naam 1] . Daarvoor bieden de indertijd ovegelegde kleurenfoto’s naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteuning.
Datzelfde geldt voor een (totaal)bedrag van € 22.500,00 in een indertijd in beslag genomen grijs kluisje. In het verhoor van 24 maart 2017 verklaart [naam 1] dat er ongeveer € 25.000,00 van hem in zou zitten, maar in een tapgesprek van 21 februari 2017 noemt hij expliciet een bedrag van
€ 22.500,00 dat hij heeft gekregen van de provincie. [naam 1] heeft in het verhoor ook uitgelegd waarom het geldkistje en het kluisje bij zijn kleindochter stonden en heeft de sleutels ervoor aangeleverd. De rechtbank zal het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaren en de teruggave gelasten van een geldbedrag van € 22.500,00 en eerdergenoemde sieraden. De rechtbank kan echter voor de sieraden die terug moeten worden gegeven niet exact achterhalen welke goednummers hieraan gekoppeld zijn. De rechtbank bepaalt dan ook dat het aan klaagster is om aan te wijzen welke oorbellen (voor zover die niet eerder terug zijn gegeven), twee horloges, brede armband met halsketting en halsketting voor een man door haar wijlen echtgenoot werden bedoeld. De rechtbank bepaalt dat de officier van justitie mee moet (laten) werken aan de identificatie van die sieraden, zodat de juiste sieraden aan klaagster terug worden gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat voor het overige in onvoldoende mate is komen vast te staan dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. In de loop van de tijd zijn er steeds weer meer en andere verklaringen gekomen over de herkomst van de overige sieraden en het overige geld. Bovendien zijn er de CIE-meldingen en de verklaringen van [getuige] , waaruit volgt dat het geld en de sieraden aan eerdergenoemde zoon van klaagster toebehoren. In dat verband blijkt uit het verhoor van [naam 1] van 24 maart 2017 dat het geldkistje en het kluisje langere tijd uit zicht van [naam 1] zijn geweest en dat hij niet meteen over de juiste sleutels beschikte toen de politie daarom vroeg. Daardoor is het zeer wel mogelijk dat ook een ander in de tussentijd gebruik heeft gemaakt van het geldkistje en het kluisje en daar sieraden en/of geld aan heeft toegevoegd. Dit betekent dat de rechtbank klaagster niet als redelijkerwijs rechthebbende van de overige inbeslaggenomen genomen sieraden en gelden kan aanmerken. Voor deze sieraden en gelden geldt de hoofdregel dat zij toebehoren aan de beslagene tot blijkt dat een ander de redelijkerwijs rechthebbende is. Nu niet vastgesteld kan worden dat klaagster die redelijkerwijs rechthebbende van de overige sieraden en goederen is, geldt dat [belanghebbende] als beslagene als redelijkerwijs rechthebbende wordt aangemerkt. Daarom zal de rechtbank het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het klaagschrift voor zover het is gericht tegen het beslag op de sieraden met nummers:
- Goednr_380395;
- Goednr_380392;
- Goednr_380382;
- Goednr_380385;
- Goednr_380388;
- Goednr_380377;
- Goednr_380376;
- Goednr_380371;
- Goednr_380372;
- Goednr_380368;
- Goednr_380359;
- Goednr_380354;
- Goednr_380357;
- Goednr_380358;
- Goednr_380336;
- Goednr_380331;
- verklaart het klaagschrift tegen het 94a Sv beslag gedeeltelijk gegrond en gelast de teruggave van:
* een geldbedrag van € 22.500,00;
* oorbellen (voorzover zij niet eerder terug zijn gegeven);
* twee horloges;
* een brede armband en de bijbehorende halsketting;
* een halsketting voor een man (een soort Cartier);
- bepaalt dat klaagster zelf voornoemde sieraden moet identificeren onder de inbeslaggenomen sieraden. De officier van justitie dient hieraan medewerking te verlenen;
- verklaart het klaagschrift tegen het 94a Sv beslag voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 21 januari 2026 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer voorzitter,
mr. L.W. Louwerse en mr. J.P.E. Mullers rechters, in tegenwoordigheid van
mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 21 januari 2026.
Mr. Louwerse en mr. Mullers zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).