Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2695

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
BRE - 25 _ 6095
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15.33 Wet Milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid heffingsambtenaar bij aanslag afvalstoffenheffing voor nakomeling ex-KNIL-militair

Belanghebbende, een nakomeling van Ambonese ex-KNIL-militairen en staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, betwistte de aanslag afvalstoffenheffing opgelegd door de gemeente Waalwijk. Hij stelde dat de heffingsambtenaar niet bevoegd was deze aanslag aan hem op te leggen vanwege zijn bijzondere status en dat de aanslag aan zijn broer als hoofdbewoner had moeten worden opgelegd.

De rechtbank erkent het gevoelde onrecht jegens ex-KNIL-militairen en hun nakomelingen, maar stelt dat zij in deze procedure alleen kan toetsen of de heffingsambtenaar bevoegd is de aanslag aan belanghebbende op te leggen. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere rechtspraak, waaronder uitspraken van het gerechtshof en de Hoge Raad, die bevestigen dat de gemeente bevoegd is aanslagen afvalstoffenheffing op te leggen aan nakomelingen van ex-KNIL-militairen.

Verder is vastgesteld dat belanghebbende gebruiker is van de woning waarvoor de inzamelplicht geldt, waardoor de aanslag terecht aan hem is opgelegd. Het feit dat hij niet in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven, doet hieraan niet af. Ook is geen reden om de aanslag aan zijn broer toe te wijzen, aangezien de heffingsambtenaar mag kiezen aan welke gebruiker de aanslag wordt opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag. Belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag afvalstoffenheffing aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6095
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 oktober 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 juli 2025 aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar een bedrag van € 12,87. De aanslag is opgelegd voor de woning aan [adres] (de woning).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon 1] , vergezeld door [persoon 2] , en namens de heffingsambtenaar mr. A.G. Hendriks.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

2. Belanghebbende stelt – kort samengevat – dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing aan hem op te leggen, omdat hij een nakomeling is van Ambonese ex-K.N.I.L.-militairen en staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, die op grond van de Regeling Militaire aangelegenheden tijdelijk in Nederland verblijft, waarbij het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen van toepassing is. Dit betekent volgens belanghebbende dat hij geen ingezetene van Nederland is en dat de wettelijke regelingen waarop de aanslag afvalstoffenheffing is gebaseerd op hem niet van toepassing zijn. Verder stelt belanghebbende dat de aanslag afvalstoffenheffing ten onrechte aan hem is opgelegd en aan zijn broer, [persoon 1] , als hoofdbewoner, had moeten worden opgelegd.
2.1.
In de kern vindt belanghebbende dat hem en zijn familie onrecht is aangedaan door de Staat der Nederlanden. De rechtbank heeft daar begrip voor, maar in deze zaak kan de rechtbank dat niet ten volle aan de orde laten komen en kan zij geen oordeel geven of door de Staat onrechtmatig is gehandeld jegens ex-KNIL-militairen en hun nakomelingen. De rechtbank kan in deze zaak alleen een antwoord geven op de vraag of de heffingsambtenaar bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing aan belanghebbende op te leggen als nakomeling van ex-KNIL-militairen.
2.2.
Daar is al veel rechtspraak over. In een vergelijkbare zaak van de broer van belanghebbende hebben de rechtbank [1] en het gerechtshof [2] uitgebreid uitgelegd waarom de gemeente wel bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing op te leggen. De Hoge Raad heeft dit in stand gelaten. [3] Ook in zaken van anderen is dat uitgelegd. [4] De rechtbank sluit zich bij deze rechtspraak aan en volstaat hier met een verwijzing daarnaar. Dat betekent dat de grond dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing op te leggen aan nakomelingen van ex-KNIL-militairen niet slaagt.
2.3.
Omdat vaststaat dat belanghebbende gebruiker is van de woning (het perceel) en dat ten aanzien van dit perceel een inzamelplicht geldt [5] , mocht de heffingsambtenaar een aanslag afvalstoffenheffing aan belanghebbende opleggen. Het is daarbij niet van belang of belanghebbende in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven.
2.4.
De rechtbank heeft ook geen reden om te oordelen dat de aanslag niet aan belanghebbende, maar aan zijn broer had moeten worden opgelegd. De heffingsambtenaar mag – kort gezegd – kiezen aan welke gebruiker van een perceel waarvoor een inzamelplicht geldt, hij de aanslag afvalstoffenheffing oplegt. Dat de heffingsambtenaar in de voorgaande jaren de aanslag afvalstoffenheffing steeds aan de broer van belanghebbende heeft opgelegd, maakt dat niet anders.

Conclusie en gevolgen

3. Het voorgaande betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd. De hoogte van de aanslag is niet in geschil. Het beroep is dus ongegrond. De aanslag afvalstoffenheffing blijft in stand.
3.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten en krijg hij het griffierecht ook niet terug.
3.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 maart 2026 en gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee dit proces-verbaal aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2889.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1207.
3.Hoge Raad 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1746.
4.Zie bijv. Gerechtshof Amsterdam 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2882 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9379.
5.Artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer.