ECLI:NL:RBZWB:2026:262

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
24/8492 Wajong
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1a:1 WajongSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen

Eiser heeft meerdere aanvragen gedaan voor een Wajong-uitkering, die door het UWV zijn afgewezen omdat hij geen duurzaam verlies van arbeidsvermogen heeft. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het laatste besluit van het UWV, waarin het bezwaar van eiser is afgewezen.

De medische rapportages tonen aan dat eiser ernstige psychische problematiek heeft, maar dat hij met behandeling, begeleiding en medicatie stabilisatie en verbetering kan bereiken. Hierdoor is het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam, omdat er een reëel perspectief is op toekomstige ontwikkeling van arbeidsvermogen.

Eiser stelde dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan en dat hij uitbehandeld is, maar de rechtbank oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie geen aanwijzingen geeft voor een duurzaam verlies van arbeidsvermogen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht geweigerd een Wajong-uitkering toe te kennen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8492 Wajong

uitspraak van 20 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder
(gemachtigde: mr. N. Regragui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2.1
Eiser, geboren op [geboortedag] 2002 (18e verjaardag = [geboortedag] 2020), heeft op 28 april 2021 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met een besluit van 9 december 2021 is deze aanvraag afgewezen. Daarbij is geconcludeerd dat eiser geen arbeidsvermogen had, maar dat hij dit nog wel kon ontwikkelen in de toekomst.
2.2
Op 5 december 2023 heeft eiser wederom een Wajong-uitkering aangevraagd.
Met het besluit van 11 maart 2024 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd om een Wajong-uitkering toe te kennen. Daarbij is opnieuw geconcludeerd dat eiser geen arbeidsvermogen had, maar dat hij dit in de toekomst misschien wel zou kunnen ontwikkelen.
2.3
Met het bestreden besluit van 22 november 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit tot weigering een Wajong-uitkering toe te kennen, gebleven. Daarbij is geconcludeerd dat er geen nieuwe informatie is overgelegd waaruit blijkt dat het ontbreken van arbeidsvermogen inmiddels duurzaam is geworden.

Procesverloop

3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, ambulant begeleider van eiser [ambulant begeleider] , en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Grondslag van het bestreden besluit
5. Aan het bestreden besluit ligt een medisch onderzoek ten grondslag.
Medisch onderzoek
6.1
De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat de huidige klachten en medische situatie van eiser vergelijkbaar zijn met de medische informatie zoals gewogen in 2021. De medische ontwikkelingen in 2022 betreffen destabilisatie met psychose naar aanleiding van traumabehandeling en de bijkomende diagnose vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Dit past bij de eerder bekende medische informatie. Eiser is inmiddels gestart met behandeling en begeleiding gericht op stabilisatie, emotieregulatie, praktische zaken en (later op) verbetering. De in het huidige onderzoek verkregen informatie geeft geen aanleiding om uit te gaan van nieuwe feiten en/of omstandigheden die de visie op de medische situatie en het arbeidsvermogen doen wijzigen. Eiser wordt niet voor vier uur per dag belastbaar geacht.
Verder concludeert de verzekeringsarts dat duurzaamheid nog altijd niet aan de orde is. Dit blijkt uit het gegeven dat eiser investeert in zijn ontwikkelmogelijkheden op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren en het verkrijgen van meer zelfstandigheid. Hij investeert ook in verbetering van welbevinden en gezondheid door middel van behandeling en begeleiding. Daarom kan gesteld worden dat eiser bezig is met stappen te zetten in de ontwikkeling en is er geen situatie ontstaan met volledig ontbreken van ontwikkelen en dus geen volledig verlies van arbeidsvermogen.
6.2
De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat er op de 18e verjaardag sprake was van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO (PDD-NOS). Dit is een ontwikkelingsstoornis die valt onder de autisme spectrum stoornissen (ASS). Daarnaast is sprake van depressieve klachten en PTSS-klachten die te maken hebben met diverse life-events, genderdysforie en eetproblematiek. Er zijn geen nieuwe feiten die toezien op het 18e jaar. Wat eiser heeft overgelegd, is al bekend of ziet niet toe op het 18e jaar. Met de aanwezige klachten en belemmeringen op het 18e jaar is rekening gehouden.
Het ontbreken van arbeidsvermogen wordt niet duurzaam geacht. Er is geen sprake van een progressief ziektebeeld. Ook is geen sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. De psychische aandoeningen zijn allen behandelbaar. Voor de ASS is geen curatieve behandeling, maar er zijn wel behandelmogelijkheden zoals psycho-educatie, sociale vaardigheidstrainingen en psychotherapie, die het functioneren verbeteren.
Eiser krijgt vanaf maart 2023 persoonlijke begeleiding via MWRZ. Verder blijkt dat het behandeldoel is gesteld op emotieregulatie met de mogelijkheid voor vermindering van de nachtmerries en beter om leren gaan met triggers van PTSS. Met dit behandeldoel, het bereiken en vasthouden van enige stabiliteit, zal eiser meer energie krijgen. Hij zal immers beter slapen door vermindering van de nachtmerries en de vermoeidheid zal afnemen. Uit de medische informatie van Emergis van 11 april 2024 blijkt dat eiser Quatiapine heeft gekregen waardoor de ervaren verschijnselen tot rust zijn gekomen en er meer stabiliteit is. Ook hierdoor zal eiser verminderd energetisch beperkt zijn. Hij zal tenminste vier uur per dag (twee maal twee uur) belastbaar zijn in arbeid.
Standpunt eiser
7.1
Eiser stelt dat het bestreden besluit niet voorzien is van een deugdelijke motivering en onderbouwing en onzorgvuldig is voorbereid. Volgens eiser blijkt uit de rapportages van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b dat er geen informatie ingewonnen is bij de behandelend sector. De beoordeelde informatie is daarmee beperkt en gedateerd. Daarmee wordt niet voldaan aan de vereisten die volgens de jurisprudentie aan een zorgvuldige besluitvorming worden gesteld. [1]
7.2
Volgens eiser moet op grond van de beschikbare medische informatie geconcludeerd worden dat er geen enkele reden is om redelijkerwijs te verwachten dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst nog zodanig zullen ontwikkelen dat sprake kan zijn van relevant arbeidsvermogen. [psycholoog] stelt duidelijk dat de leefsituatie stabiel en rustig moet zijn en stressoren tot het minimum beperkt moeten worden om kans te maken op meer stabiliteit. Bij stijgende stress zal het verlies van realiteitstoetsing opnieuw meer zichtbaar worden. [medisch adviseur] stelt onomwonden dat eiser is uitbehandeld en dat een nieuw behandeltraject niet zinvol is, meer schade zal aanrichten en niet bijdraagt aan het welzijn. De verzekeringsarts b&b concretiseert op geen enkele wijze waarom er desondanks een realistische verwachting mag bestaan dat behandeling zou kunnen leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Gesteld noch gemotiveerd is waarom een toekomstige verbetering naar verwachting dermate significant zal zijn dat sprake zal kunnen zijn van de noodzakelijke basale werknemersvaardigheden. Verder onderhoudt eiser nagenoeg uitsluitend digitaal contact met zijn partner in Engeland en heeft hij de wens ooit samen te wonen in Nederland. Waarom dit op enige wijze van invloed zou kunnen zijn op de ontwikkeling van arbeidsvermogen, wordt door het UWV niet gemotiveerd. Eiser wijst er op dat uit de brief van [ambulant begeleider] blijkt dat het voor eiser erg belastend is om thuis een gesprek met haar te hebben en dat hij enkele dagen moet bijkomen van een bezoek aan een behandelaar. De behandeling en begeleiding is slechts gericht op stabilisatie van de huidige toestand, waarbij het isolement van eiser volgens de begeleiders en behandelaars bijdraagt aan dit behandeldoel. Verder blijkt uit de medische informatie dat eiser een dermate intensieve en persoonlijke begeleiding nodig heeft en zal blijven hebben bij alles wat hij doet, dat die begeleiding veel verder reikt dan de kaders die in enige arbeidsorganisatie (bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een leidinggevende en/of inzet van een jobcoach of werkbegeleider) bij het verrichten van een taak kunnen worden geboden.
Standpunt UWV in reactie op het beroep van eiser
8.1
Het UWV stelt dat sprake is van zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en had kennis van de klachten, beperkingen en aandoeningen van eiser. Er is een anamnese afgenomen en alle klachten en belemmeringen zijn aan de orde gekomen. De aanwezige medische informatie is betrokken bij het oordeel. De rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, bevatten geen tegenstrijdigheden en zijn voldoende begrijpelijk.
8.2
Het UWV heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser overeenkomstig artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 2021. Daarvoor dient sprake te zijn van nova. De beoordeling ziet op de periode van de 18e verjaardag tot de eerste aanvraag (28 april 2021). De verzekeringsarts heeft geoordeeld dat er geen sprake is van nova om terug te komen op het besluit van 9 december 2021 en dit is bevestigd door de verzekeringsarts b&b. De door eiser in beroep overgelegde informatie was reeds bekend, alleen de brief van [naam 2] van 27 september 2017 nog niet. Dit stuk had gelet op de nova-toets echter uiterlijk in de bezwaarfase overgelegd moeten worden. Ten overvloede wordt opgemerkt dat alle informatie waarover het UWV bij de beoordeling in 2021 beschikte destijds is betrokken en meegewogen.
8.3
De aanvraag van eiser is daarnaast geduid als een Amber-verzoek. De periode van 28 april 2021 tot de nieuwe aanvraag van 5 december 2023 is beoordeeld. Volgens het UWV is een verzekeringsarts niet verplicht om medische informatie op te vragen of advies in te winnen. Hij mag van zijn eigen deskundigheid uitgaan. Raadpleging van de behandelend sector is alleen aangewezen als er al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet en dit een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, of als iemand stelt dat de behandelend sector een beredeneerd ander standpunt heeft over zijn beperkingen. Eiser heeft niet gesteld dat dit aan de orde is en hij geeft niet aan welke informatie zou ontbreken. De brief van [naam 2] van 27 september 2017 ziet niet op de Amber-periode en is daarom niet voorgelegd aan de verzekeringsarts b&b.
Overwegingen rechtbank

Zorgvuldigheid van het onderzoek

9. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft het dossier en de ontvangen informatie bestudeerd, er is overleg gepleegd met een arbeidsdeskundige en er heeft telefonisch contact plaatsgevonden met de ambulant begeleider van eiser. De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en heeft geconcludeerd dat er voldoende informatie was om op stukken te heroverwegen. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts b&b een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser dat de verzekeringsartsen meer informatie hadden moeten opvragen bij de behandelend sector. Er is rekening gehouden met de door eiser overgelegde informatie van zijn behandelaars en hij heeft niet duidelijk gemaakt welke aanvullende informatie van die behandelaars zou kunnen worden verkregen.

Strekking van de aanvraag

10. Volgens vaste rechtspraak moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). [2]
11. Het UWV heeft de aanvraag van eiser aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit en als een beroep op toegenomen beperkingen in het kader van Amber. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat de aanvraag hierop zag.

Terugkomen van het eerdere besluit

12. Het UWV heeft toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [3]
12.1
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. [4]
12.2
De rechtbank kan het UWV volgen in het standpunt dat de door eiser overgelegde stukken niet aangemerkt kunnen worden als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die betrekking hebben op de medische situatie van eiser op zijn 18e jaar. De door eiser overgelegde stukken zien immers niet op die periode. De nieuwe diagnoses ten aanzien van de psychische problematiek die blijkens de stukken na het 18e jaar zijn gesteld, kunnen op zichzelf ook niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb worden aangemerkt.

De Amber-beoordeling

13. Van een Ambersituatie is sprake als eiser binnen vijf jaar na zijn 18e jaar duurzaam geen arbeidsvermogen heeft en dat ontbreken van arbeidsvermogen voortkomt uit dezelfde oorzaak als waardoor hij op zijn 18e jaar al beperkingen had. [5] In het geval van eiser zou het gaan om beoordeling van de periode van [geboortedag] 2020 tot en met [geboortedag] 2025. Over de periode van [geboortedag] 2020 tot 28 april 2021 is echter al een oordeel gegeven in het kader van eisers eerste Wajong-aanvraag. De te beoordelen periode loopt daarom in dit geval van 28 april 2021 tot en met 5 december 2023 (datum van de aanvraag in deze procedure).
13.1
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de Amber-periode niet beschikte over arbeidsvermogen, omdat hij niet ten minste vier uur per dag belastbaar was. In geschil is alleen of eiser in deze periode duurzaam het arbeidsvermogen is verloren. Daarbij gaat het met name om de psychische problematiek van eiser.
13.2
Bij de beoordeling of er sprake is van duurzaamheid in de zin van de Wajong gaat het om een zeer strenge toets. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie betreft. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel uitgesloten is. Als het UWV stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het UWV niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het UWV moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. In een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, kan voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [6]
13.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in beroep niet voldoende aangevoerd om te doen twijfelen aan de beoordeling door het UWV. Er is bij eiser ontegenzeggelijk sprake van ernstige psychische problematiek. Uit de informatie van [psycholoog] van 11 april 2024 blijkt echter dat eiser goed reageert op het medicijn Quetiapine, waardoor hallucinatie verschijnselen tot rust komen en er sprake is van meer stabiliteit. [psycholoog] schrijft ook dat eiser in zijn huidige leefsituatie veel onveiligheid en stress ervaart en dat deze leefsituatie rustig moet worden om kans te maken op meer stabiliteit. Hieruit blijkt niet dat eiser uitbehandeld is of dat er geen enkel perspectief op ontwikkeling meer is.
De informatie van [ambulant begeleider] biedt ook geen medische onderbouwing voor de stelling dat eiser geen arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Er zijn behandeldoelen gesteld, namelijk emotieregulatie en beter om leren gaan met triggers van PTSS. De verzekeringsarts b&b heeft zich op basis hiervan op het standpunt kunnen stellen dat de begeleiding door [ambulant begeleider] in combinatie met de behandeling door [psycholoog] en de medicatie kunnen zorgen voor meer stabiliteit. De energetische beperking kan hierdoor afnemen, waardoor eiser meer belastbaar zou kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de mogelijkheden van eiser tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst zo kunnen ontwikkelen dat niet is uitgesloten dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Het door eiser overgelegde rapport van [medisch adviseur] kan niet tot een ander oordeel leiden. Buiten het feit dat dit onderzoek is uitgevoerd ruim na de Amber-periode, is dit een beoordeling in een ander kader (Participatiewet) en is onduidelijk op basis van welke medische stukken de conclusie getrokken wordt dat eiser uitbehandeld is. Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat eiser nog altijd onder behandeling van een psycholoog is.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht geen Wajong-uitkering heeft toegekend aan eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 20 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wajong
Artikel 1a:1, eerste lid
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lid
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, derde lid
De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
Artikel 1a:1, vierde lid
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Artikel 1a:1, zesde lid
De beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.
Artikel 1a:1, achtste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit).
Schattingsbesluit
Artikel 1a, eerste lid
Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:
geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
Artikel 1a, tweede lid
Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar ECLI:NL:CRVB:2018:1018.
4.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2023:1767.
5.Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.