Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich in 2011 ziek met psychische klachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend te hebben gekregen, beëindigde het UWV deze uitkering in 2018 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Diverse verzoeken en bezwaren van appellant om herziening werden ongegrond verklaard, waarbij het UWV steeds oordeelde dat er geen nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden waren.
Appellant stelde in hoger beroep dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege een telefonisch onderzoek tijdens de coronamaatregelen, en dat er wel degelijk nieuwe medische feiten waren, waaronder de diagnose chronische insomnia. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de aangevoerde nieuwe feiten niet als zodanig konden worden aangemerkt.
De Raad benadrukte dat het enkele feit dat een diagnose later wordt gesteld, geen novum oplevert en dat de eerdere beoordeling van het UWV voldoende rekening hield met alle klachten. Ook de ingebrachte stukken met betrekking tot de Toeslagenaffaire leidden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.