ECLI:NL:RBZWB:2026:2517

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/2871
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 3:46 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning WIA-uitkering in de vorm van WGA bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

Eiser, werkzaam als operator, viel op 10 januari 2022 uit wegens fibromyalgie en alcoholverslaving. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,03%. Eiser betwist deze toekenning en stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, met een hogere mate van beperkingen dan vastgesteld.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van het UWV, uitgevoerd door een primaire verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, en concludeerde dat dit zorgvuldig en volledig was. De medische rapporten toonden beperkingen aan, maar geen volledige arbeidsongeschiktheid. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werd aangepast en bevatte beperkingen in diverse rubrieken met een urenbeperking van vier uur per dag.

De arbeidsdeskundige van het UWV stelde dat de functies waarop de mate van arbeidsongeschiktheid werd gebaseerd passend waren, ondanks bezwaren van eiser. De rechtbank volgde dit standpunt en vond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 64,03% juist was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en veroordeelde het UWV in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de toekenning van een WGA-uitkering met 64,03% arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2871 ZW

uitspraak van 2 april 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F.J. Boomaars),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in de vorm van een loongerelateerde uitkering (WGA) aan eiser, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,03%. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft toegekend in de vorm van een WGA.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht een uitkering in de vorm van een WGA aan eiser heeft toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 tot en met 6 zijn de grondslag van het besluit, het wettelijk kader en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: was het medisch onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig, heeft het UWV terecht gesteld dat er geen sprake is van GBM, zijn de beperkingen juist vastgesteld, zijn aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt en is de mate van de arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Vervolgens bespreekt de rechtbank de duurzaamheid en artikel 6:22 van Pro de Awb. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als operator voor 40 uur per week. Voor dat werk is hij op 10 januari 2022 uitgevallen vanwege voortschrijdende psychische en lichamelijke problematiek op basis van fibromyalgie en een alcoholverslaving. De beoordeling WIA per einde wachttijd heeft geleid tot de besluiten zoals opgenomen onder ‘procesverloop’.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 24 januari 2024 (primair besluit) aan eiser een WIA-uitkering in de vorm van een WGA toegekend met ingang van 8 januari 2024 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,40%. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Wel is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 64,03%.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens het UWV mr. N. Regragui.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit

4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 8 januari 2024 voor 64,03% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Het onderzoek van het UWV
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 4 december 2023. De verzekeringsarts rapporteert op 22 januari 2024 als volgt. Op basis van de onderzoeksbevindingen en het consistente klachtenpatroon is aannemelijk dat sprake is van een licht beperkte bewegingsmogelijkheid ten aanzien van beide schouders, de nek, armen en handen. Daarbij bestaan er beperkingen door de psychische disbalans. Hierom is eiser in het persoonlijk en sociale functioneren op verschillende vlakken beperkt, waarbij (fors) stresserende omstandigheden binnen arbeid vermeden moeten worden om duurzaam arbeid te kunnen verrichten. Verder is, getoetst aan de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’, (na overleg met de arbeidsdeskundige) bij eiser een indicatie voor een urenbeperking. Eiser is namelijk met de opgestelde beperkingen alsnog beperkt te achten in de duur van de arbeid vanwege preventief oogpunt door de psychische kwetsbaarheid. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 januari 2024.
7.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, kennisgenomen van het bezwaarschrift van 26 februari 2024, de aanvullende gronden van 30 maart 2024 en de medische informatie opgevraagd door de verzekeringsarts, waaronder informatie van de huisarts, caesartherapeut, reumatoloog en de neuroloog. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b eiser gezien en psychisch onderzocht op het spreekuur van 6 januari 2025.
7.3
Bij eiser is sprake van lichamelijke klachten, waaronder fibromyalgie, enige artrose van onder meer de nek met daarbij klachten van de schouders en armen en enige artrose van de heupen, maar er is geen sprake van compressie van de zenuwbanen. Verder is sprake van alcoholgebruik met depressieve klachten, mede als gevolg van de psychosociale problemen. Net als de primaire verzekeringsarts concludeert de verzekeringsarts b&b dat op basis van het Schattingsbesluit geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiser is immers niet opgenomen op medische indicatie, er is geen sprake van chronische bedlegerigheid en eiser is niet ADL-afhankelijk. Ook is er geen sprake van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op alle drie niveaus (zelfverzorging, het samenlevingsverband en de sociale contacten buiten het gezin incl. het onderhouden van werkrelaties) als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening of een te verwachten verlies aan mogelijkheden binnen drie maanden. Eiser is zelfredzaam op ADL gebied en functioneert daarnaast als mantelzorger voor zijn partner. In het schattingsbesluit wordt ook aangegeven dat de privé belasting vanuit bijv. een relatie, gezin of sociale omstandigheden buiten beschouwing gelaten wordt. Het gaat immers om beperkingen voor arbeid die rechtsreeks veroorzaakt worden door ‘ziekte of gebrek’.
7.4
De verzekeringsarts b&b is wel van mening dat er enige aanvulling aan de orde is op de beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Door het chronische alcoholgebruik is op hoogten en met gevaarlijke machines werken niet mogelijk en wordt eiser beperkt op werkzaamheden met groot afbreukrisico, grote eindverantwoordelijkheid en leidinggeven. Wat betreft de fysieke klachten zal worden aangegeven dat werkzaamheden met grote trillingsbelasting niet passend zijn (ivm bestaande pijnklachten a.g.v. de artrose en fibromyalgie). Bij onderzoek door de specialist wordt een beperkte zijwaartse beweging van de nek aangegeven, dit zal worden toegevoegd. Klimmen op ladders is niet verstandig in verband met niet werken op hoogte en omhoogkijken. Door de combinatie van de artrose en fibromyalgie is er volgens de verzekeringsarts b&b aanvullend een wat grotere tilbeperking aan de orde, 5 kilo dragen en tillen met incidenteel tot 7,5 is maximaal. Duwen en trekken wordt om die reden ook licht beperkt. Verder komt uit het onderzoek van 2022 van de reumatoloog naar voren dat sprake is van beginnende heupslijtage, dat zal niet minder zijn geworden per datum in geding. Door de combinatie van de fysieke klachten waarbij bewegen maar ook op tijd rust nemen van belang is, beperkt de va b&b het lopen en staan tot een half uur achtereen en samen tot vier uur per dag.
7.5
De primaire verzekeringsarts geeft aan dat sprake is van een urenbeperking van ongeveer vier uur per dag, tot twintig uur per week. Door de combinatie van de aandoeningen (fysiek en mentaal) is bij eiser anamnestisch wel sprake van een verminderd energieniveau. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat sprake is van een zeer geringe dag invulling, die volledig medisch verklaard kan worden. Zoals de primaire verzekeringsarts aangeeft is er reden om op preventieve gronden een urenbeperking aan te geven, zodat overbelasting niet zal zorgen voor terugval of toename alcoholgebruik. Met deze forse urenbeperking wordt alles bij elkaar voldoende rekening gehouden met de medische problematiek (met privé belasting kan volgens de standaard geen rekening worden gehouden). Vier uur per dag en twintig uur per week is daarbij maximaal. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de FML van 17 februari 2025.
7.6
Op 17 februari 2026 heeft de verzekeringsarts b&b nog aanvullend geconcludeerd dat in de rapportage van 17 februari 2025 is aangegeven dat het roteren van de nek beperkt is, maar dit per abuis niet is aangegeven in de FML van 17 februari 2025. Om die reden is de FML op 17 februari 2026 aangepast. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn dus neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 februari 2026.
Het standpunt van eiser
8. Eiser stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Uit de rapportages van de huisarts, reumatoloog, neuroloog, POH-GGZ en verslavingszorg Novadic Kentron blijkt dat sprake is van een chronisch complex klachtenbeeld, bestaande uit fibromyalgie, artrose van nek, schouders, heupen en armen, ernstige depressieve klachten, stoornis in alcoholgebruik met inadequate coping en disfunctioneren op alle drie de relevante domeinen van sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft onterecht geconcludeerd dat sprake is van benutbare mogelijkheden. De belastingen in de geduide functies sluiten niet aan bij de FML, en er is sprake van structureel sociaal en psychisch disfunctioneren. Eiser kan zich niet zelfstandig redden in het dagelijks leven, is mantelzorger van zijn zwaar zieke echtgenote, leeft sociaal geïsoleerd en worstelt met middelenproblematiek.
8.1
De minimale stijging in de wijziging van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage in bezwaar staat niet in verhouding tot de ernst van de medische en functionele beperkingen die door de eigen verzekeringsarts b&b zijn vastgesteld. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarmee kennelijk onderschat. Juist gelet op de ernst en de duurzaamheid van de beperkingen, mede gezien het ontbreken van reële mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, is een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100% gerechtvaardigd. Eiser verwijst naar rechtspraak waarbij zou zijn geoordeeld dat structurele beperkingen in het dagelijks functioneren, mede in combinatie met psychische problematiek, kunnen leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid.
8.2
Daarnaast stelt de verzekeringsarts dat verbetering ‘niet is uitgesloten’ en acht een urenbeperking van vier uur per dag op preventieve gronden passend. De enkele mogelijkheid van verbetering zonder concrete aanwijzing, plan of behandeldoel rechtvaardigt niet het weigeren van een IVA-uitkering. De behandeling bij Novadic Kentron is gestaakt wegens uitzichtloosheid, en verdere behandeling is door eiser geweigerd wegens overbelasting. Ook dit wijst op een bestendige toestand zonder redelijke verwachting op herstel binnen afzienbare termijn.
8.3
Verder voldoet de motivering van de beslissing op bezwaar niet aan de eisen van artikel 3:46 van Pro de Awb. Het UWV gaat niet inhoudelijk in op het feit dat eiser op alle drie de domeinen van het sociaal functioneren ernstig beperkt is, noch wordt ingegaan op de informatie uit het dossier die dit bevestigt. De arbeidsdeskundige heeft ten onrechte geoordeeld dat voldoende passende functies beschikbaar zijn, terwijl deze qua urenbelasting, fysieke belasting en vereiste zelfstandigheden niet aansluiten bij de FML.
8.4
Bovendien zijn de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn rol als mantelzorger en de structurele afhankelijkheid van zorg van derden, onvoldoende meegewogen, terwijl de CRvB herhaaldelijk heeft geoordeeld dat dit relevant is voor de beoordeling van duurzame arbeidsongeschiktheid. [1] Dit is een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
8.5
Tot slot voert eiser aan dat de rapporten niet zijn getoetst door een onafhankelijke externe medische deskundige. Eiser bestrijd niet dat het onderzoek procedureel zorgvuldig is verlopen, maar stelt dat dit niet gelijkstaat aan inhoudelijke juistheid van de medische conclusies. Het ontbreken van een contra-expertise vormt dan ook juist een argument voor benoeming van een deskundige. Eiser betwist namelijk gemotiveerd de medische conclusie van het UWV en de rechtbank beschikt zelf niet over de medische deskundigheid.
Was het medisch onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig?
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek van het UWV op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 4 december 2023. De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, kennisgenomen van het bezwaarschrift van 26 februari 2024, de aanvullende gronden van 30 maart 2024 en de opgevraagde medische informatie, waaronder informatie van de huisarts, caesartherapeut, reumatoloog en de neuroloog. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b eiser psychisch onderzocht op het spreekuur van 6 januari 2025.
9.1
Zij waren op de hoogte van de klachten van eiser, waaronder fibromyalgie, nek-, schouder-, arm- en heupklachten, depressieve klachten en alcoholverslaving. De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. Gezien het voorgaande beschikte de verzekeringsarts b&b over ruim voldoende inzicht in de (medische) situatie van eiser. Weliswaar is pas voor het eerst in beroep een juiste FML opgesteld, echter de rechtbank is van oordeel dat er geen onderzoeksactiviteiten gemist zijn en er geen aanwijzingen zijn dat de verzekeringsartsen informatie misten om uiteindelijk tot een zorgvuldige beoordeling te komen.
Heeft het UWV terecht gesteld dat geen sprake is van Geen Benutbare Mogelijkheden?
10. Eiser stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts b&b concludeert, net als de primaire verzekeringsarts, dat op basis van het Schattingsbesluit geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiser is niet opgenomen op medische indicatie, er is geen sprake van chronische bedlegerigheid en eiser is niet ADL-afhankelijk. Ook is geen sprake van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op alle drie de niveaus, waaronder zelfverzorging, het samenlevingsverband en de sociale contacten buiten het gezien inclusief het onderhouden van werkrelaties) als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening of een te verwachten verlies aan mogelijkheden binnen drie maanden. Eiser is zelfredzaam op ADL gebied en functioneert bovendien als mantelzorger voor zijn partner. De rechtbank volgt dit standpunt van het UWV. Het UWV heeft dus terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van GBM. Er is daarom terecht een FML opgesteld.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
11. Door de verzekeringsarts zijn in de FML beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Daarbij is een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week opgenomen.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts b&b. De motivering is inzichtelijk en het is duidelijk waarom bepaalde beperkingen zijn aangenomen. Eiser heeft geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou kunnen leiden.
11.1
Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat de verzekeringsarts b&b de door eiser ervaren klachten op een andere manier heeft gewogen dan dat eiser die ervaart, niet betekent dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van klachten, hoe invoelbaar ook, is volgens vaste rechtspraak namelijk niet doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen. [2]
11.2
Verder geldt volgens vaste rechtspraak, anders dan eiser stelt, dat belastende sociale factoren, zoals (zorgtaken in) de thuissituatie, buiten de beoordeling worden gelaten van de belastbaarheid. [3] Bij het beoordelen van de belastbaarheid van eiser heeft het UWV dan ook terecht geen rekening gehouden met de lastige thuissituatie van eiser, namelijk het feit dat eiser mantelzorger is voor zijn vrouw. De door eiser in dit verband aangehaalde uitspraak ziet niet op dit onderwerp.
11.3
Omdat er geen twijfel bestaat aan de beoordeling van de verzekeringsarts b&b ziet de rechtbank geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige, zoals eiser heeft verzocht.
11.4
Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 17 februari 2026.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
12. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de gewijzigde FML van 17 februari 2025, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Medior Soldering Operator (SBC-code 111180), Coupeuse (SBC-code 272042) en Medewerker schoonmaak (SBC-code 111334).
12.1
In beroep heeft de arbeidsdeskundige b&b naar aanleiding van de aangepaste FML van 17 februari 2026 beoordeeld of de functies de belastbaarheid van eiser niet overschrijden met betrekking tot het maken van hoofdbewegingen. De arbeidsdeskundige b&b stelt dat de belastbaarheid van eiser in de functie medior soldering operator niet wordt overschreden. In de functies coupeuse en medewerker huishoudelijke dienst wordt volgens de arbeidsdeskundige b&b, ondanks de signalering, gelet op de frequentie en de beweeghoek de belastbaarheid van eiser ook niet overschreden. Tot slot kan eiser in de functie medewerker schoonmaak ter voorkoming van het omhoog kijken gebruik maken van een opstapje die meegenomen kan worden op de schoonmaakkar, waardoor ook hier de belasting niet wordt overschreden.
12.2
De beroepsgrond van eiser geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eiser voert aan dat de functies mede vanwege de beperkingen als gevolg van de nekklachten en het gebruik van een opstapje als hulpmiddel niet realistisch en uitvoerbaar zijn. De arbeidsdeskundige b&b heeft echter uitgebreid gemotiveerd waarom dat wel het geval is. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Voor het overige vloeit het standpunt van eiser voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals in overweging 10 en 11 is geconcludeerd, is die opvatting onjuist. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
13. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 64,03%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
13.1
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 januari 2024 heeft vastgesteld op 64,03%
.
Duurzaamheid
14. Aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is vastgesteld op 64,03%, komt het UWV terecht niet toe aan de beoordeling van de duurzaamheid van de beperkingen. Hiervan kan pas sprake zijn wanneer eiser volledig arbeidsongeschikt (80-100%) wordt geacht.
6:22 Awb
15. Gelet op de gewijzigde medische en arbeidsdeskundige motivering in beroep, waaronder de aangepaste FML van 17 februari 2026, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Deze schending van artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft 64,03%. Eiser heeft in beroep op de aanvullende motivering kunnen reageren.

Conclusie en gevolgen

16. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond. Gelet op rechtsoverweging 15 ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart
  • Verklaart het beroep ongegrond;
  • Bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • Veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar CRvB 29-10-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3614
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:106.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1265