ECLI:NL:RBZWB:2026:238

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/1412
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet

Op 20 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak van een jongen van tien jaar, die een aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp had ingediend. De rechtbank beoordeelde de afwijzing van deze aanvraag door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen. De aanvraag was afgewezen op basis van de Jeugdwet, waarbij het college stelde dat de ouders in staat waren om de benodigde zorg zelf te bieden. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag op goede gronden was gedaan, omdat de ouders, met name de moeder, voldoende eigen kracht hadden om de zorg te verlenen zonder dat dit leidde tot overbelasting of financiële problemen. De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om het beroep van de eiser gegrond te verklaren, en verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak benadrukt het belang van de eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige in de uitvoering van de Jeugdwet, en dat voorzieningen alleen worden verstrekt als de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat eiser procesbelang had bij de beoordeling van de zaak, ondanks dat het pgb betrekking had op een afgesloten periode. De rechtbank heeft de beslissing van het college als voldoende gemotiveerd beschouwd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1412 JW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser],uit [plaats], eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [naam] (moeder van eiser)
(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de aanvraag op grond van de Jeugdwet met het besluit van 29 april 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 is eisers bezwaar gegrond verklaard, maar is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vader en moeder van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten en omstandigheden
3. [eiser] is een jongen van tien jaar oud, bekend met een hypoplastisch linkerhart syndroom, Protein losing entropathy, epilepsie, hersenbeschadiging, een ontwikkelingsachterstand en een (licht) verstandelijke beperking. Hij functioneert op een leeftijd van ongeveer drie jaar.
3.1.
Voorheen ontving [eiser] op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een pgb van 19 uur per week. Uit een recente beoordeling in het kader van de Zvw is gebleken dat vooral de ontwikkelingsachterstand en de verstandelijke beperking op de voorgrond staan. Daarom valt de zorg voor [eiser] niet meer volledig onder de Zvw en is het pgb per 1 december 2023 fors verlaagd.
3.2.
Daarnaast is in het verleden, voor de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 mei 2023, op grond van de Jeugdwet een pgb toegekend voor ambulante thuisbegeleiding voor zes uur per week. Het is toen niet gelukt om een geschikte zorgverlener te vinden, waardoor van dit pgb geen gebruik is gemaakt.
3.3.
De ouders van [eiser] hebben vervolgens een aanvraag ingediend voor een pgb op grond van de Jeugdwet voor begeleiding door de ouders (met name moeder). Het college heeft deze aanvraag afgewezen met het primaire besluit van 29 april 2024. Namens eiser is bezwaar ingediend.
3.4.
De commissie bezwaarschriften heeft het college geadviseerd om eisers bezwaar gegrond te verklaren en een nieuw onderzoek in te stellen. Naar aanleiding van dit advies heeft het college een nieuw onderzoek uitgevoerd. Daarin is geconcludeerd dat er sprake is van 9 uur (540 minuten) per week bovengebruikelijke hulp. Vervolgens heeft het college met het bestreden besluit van 15 januari 2025 eisers bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag opnieuw, maar dan met een andere motivering, afgewezen.
3.5.
Ter zitting is duidelijk geworden dat aan [eiser] een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) is toegekend per 21 september 2025.
Standpunt van het college
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bovengebruikelijke zorg die door de ouders aan [eiser] wordt geleverd niet in aanmerking komt voor een pgb op grond van de Jeugdwet. Daarbij is van belang dat de ouders in staat zijn om de hulp te bieden en een beroep gedaan kan worden op het eigen netwerk (oma) op het moment dat dit niet lukt. Ook leidt het verlenen van deze zorg niet (meer) tot overbelasting van de moeder. Door de thuisbegeleiding en huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) heeft moeder aangegeven zich goed te kunnen reden. Tot slot is niet gebleken dat er financiële problemen zijn of ontstaan als er geen pgb wordt toegekend.
Beroepsgronden
4.1.
Namens eiser is aangevoerd dat de ouders het meest geschikt zijn om de zorg te verlenen. Dit biedt stabiliteit voor [eiser]. Verder kan door deze zorg en de tijd die daarmee gemoeid is, minder tijd besteed worden aan overige zaken zoals werk. Zo was moeder voor de geboorte van [eiser] werkzaam als zelfstandige. Zij heeft haar werkzaamheden aanvankelijk gestaakt en werkt nu slechts één dag per week. De afwijzing van het pgb draagt bovendien bij aan mogelijke toekomstige overbelasting van de gezinssituatie. Verder is aangevoerd dat het wettelijk kader niet vermeld is in het bestreden besluit. De beslissing is onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder is de besluitvorming onzorgvuldig, aangezien het pgb primair werd afgewezen om overbelasting van de ouders te voorkomen en nu aangegeven wordt dat de bovengebruikelijke zorg zonder overbelasting of financiële problemen door ouders geboden kan worden. Daarnaast biedt artikel 2.3 van de Jeugdwet volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf de jeugdhulp te kunnen verlenen. De Nadere regels jeugdhulp gemeente Terneuzen 2022 (Nadere regels), gebaseerd op artikel 2.4.5. van de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2025 (Verordening), geven een te vergaande inbreuk op artikel 2.3 van de Jeugdwet.
Toetsingskader
5. Zoals de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 [2] volgt uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoud van het geschil
6. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op stap 4 van het stappenplan, namelijk of de eigen kracht van de ouders en het netwerk toereikend is om zelf de nodige hulp en ondersteuning te bieden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het gevraagde pgb op een afgesloten periode in het verleden ziet, te weten vanaf 1 december 2023 (verlaging pgb Zvw) tot 21 september 2025 (toekenning Wlz-indicatie).
Procesbelang
7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak, omdat het hier gaat om een pgb voor een in het verleden liggende en afgesloten periode.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. [3]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat op voorhand niet onaannemelijk is dat eiser schade heeft geleden, aangezien de zorg waarvoor het pgb was gevraagd in die periode wel is verleend door zijn ouders (althans door zijn moeder). De rechtbank concludeert daarom dat eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, en dat hij daarom ontvankelijk is in zijn beroep.
Eigen kracht
8. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het college alleen gehouden is om een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Zoals uiteengezet in de uitspraak van de CRvB van 17 juli 2019 [4] blijkt uit de Memorie van Toelichting dat de ‘eigen kracht’ een belangrijk uitgangspunt is in de uitvoering van de thans geldende Jeugdwet. De eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig
8.1.
De regelgeving van de gemeente Terneuzen met betrekking tot de eigen kracht is in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB. In artikel 2.6 van de Nadere regels is bepaald dat het college voor wat betreft het deel van de bovengebruikelijke hulp onderzoekt in hoeverre de ouders, eventueel met hulp van het sociale netwerk, in staat zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Ten tweede onderzoekt het college in hoeverre de ouders, eventueel met behulp van het sociale netwerk beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Als derde onderzoekt het college of de hulp kunnen bieden zonder dat zij overbelast raken. Tot slot en als vierde onderzoekt het college in hoeverre de ouders de hulp zelf kunnen bieden zonder dat er financiële problemen ontstaan in het gezin.
8.2.
Gebleken is dat de ouders (met name moeder) in de betreffende periode in staat en beschikbaar waren om zorg te bieden aan [eiser]. Ook is er praktische begeleiding vanuit de Wmo ingezet voor de moeder, waardoor zij zich goed kan redden. Er is daarom geen sprake (meer) van een overbelasting van moeder. Dat moeder aangeeft dat de afwijzing van het pgb kan leiden tot mogelijke toekomstige overbelasting, kan niet tot een ander oordeel leiden.
8.3.
Ten aanzien van de vierde stap (van de Beleidsregels) is namens eiser terecht aangevoerd dat het uitvoeren een onderzoek naar de financiën niet mag volgens de CRvB. [5] Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt echter dat er door het college geen financieel onderzoek conform artikel 2.6, onder 4, sub d, van de Nadere regels heeft plaatsgevonden. Er is in dat kader alleen door het college geconcludeerd dat vader fulltime en moeder één dag in de week werkt en dat door de ouders niet is aangegeven dat er een tekort is of komt aan financiën en dat dat de reden is voor het aanvragen van een pgb. Daarom kan de rechtbank de stelling van eiser dat er inbreuk is gemaakt op artikel 2.3 van de Jeugdwet niet volgen. Wel moet beoordeeld worden of het niet verlenen van het pgb leidt tot financiële problemen in het gezin. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser benoemd dat er in de betreffende periode sprake is geweest van financiële nood. Dit is echter niet onderbouwd met verifieerbare stukken en daarom niet voldoende aannemelijk gemaakt.
8.4.
Het college heeft onder deze omstandigheden kunnen concluderen dat [eiser] en zijn ouders geen voorziening op grond van de Jeugdwet nodig hebben, aangezien [eiser] de zorg krijgt die hij nodig heeft en de eigen mogelijkheden van de ouders om in die zorg te voorzien toereikend zijn
.Dat er sprake is van bovengebruikelijke zorg waardoor de ouders meer zorg moeten verlenen dan bij een kind zonder beperkingen het geval zou zijn, en dat moeder anders mogelijk meer uren zou kunnen werken, maakt dit niet anders. Weliswaar heeft de gemachtigde van eiser ter zitting gewezen op een uitspraak van de CRvB van 2 juli 2025 [6] – waarin de Raad oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de vraag of alle hulp die de moeder levert, te kwalificeren is als gebruikelijke hulp – maar daaruit volgt niet dat het college per definitie gehouden is om een voorziening te verstrekken als er (zoals in de onderhavige zaak) sprake is van bovengebruikelijke zorg. Ook bij bovengebruikelijk zorg geldt namelijk – gelet op het in rechtsoverweging 8 genoemde uitgangspunt van de Jeugdwet – dat als er sprake is van voldoende ‘eigen kracht’, dit in de weg staat aan de verlening van een pgb aan de ouders
.Dit neemt niet weg dat de rechtbank goed kan begrijpen dat de ouders in een lastige situatie zijn gekomen toen het pgb vanuit de Zvw deels wegviel, zeker in combinatie met de aanhoudende (gezondheids)zorgen om hun zoon en het verlenen van de intensieve zorg. De omstandigheid dat er een gat is ontstaan tussen het pgb vanuit de Zvw en het pgb vanuit de Wlz kan echter niet tot een ander oordeel leiden in deze zaak. Daarbij is van belang dat de Zvw en Wlz een ander toetsingskader en uitgangspunt kennen dan de Jeugdwet. De rechtbank hoopt tot slot dat de toekenning van de Wlz-indicatie de nodige rust zal brengen voor de ouders.
Overige (formele) beroepsgronden
9. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften, waarin het wettelijk kader is opgenomen. De beslissing is door het college voldoende gemotiveerd.
9.1.
In de primaire beslissing werd het pgb afgewezen om overbelasting van de ouders te voorkomen en werd door het college zorg in natura geadviseerd. Het is voorstelbaar dat de ouders zich daardoor miskend hebben gevoeld, maar in beroep ligt dat niet ter toetsing voor. Immers, in het bestreden besluit is dat standpunt verlaten en is juist erkend dat de ouders wel in staat zijn om de zorg aan [eiser] te geven. Dat de motivering van het bestreden besluit afwijkt van die in het primaire besluit, maakt de (bestreden) besluitvorming niet onzorgvuldig; de bezwaarfase is juist bedoeld voor een volledige heroverweging, waarbij het bestuursorgaan de gelegenheid heeft om eventuele gebreken in de motivering van het primaire besluit te herstellen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 20 januari 2026 en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Jeugdwet
Artikel 2.3
1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.
3. Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op permanent toezicht en die jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1, onder 2° of 3°, of verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet ontvangt, treft het college indien naar zijn oordeel noodzakelijk, voorzieningen die de ouders in staat stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen.
4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:
a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en
b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.
5. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.
6. Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige.
Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2025
Artikel 2.4.8, eerste lid
Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (problemen herkennen en een plan maken om die op te lossen) (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
  • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders
  • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar zijn en de noodzakelijke hulp kunnen bieden, dit niet zorgt voor (dreigende) overbelasting en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan
  • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk
  • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten
Nadere regels jeugdhulp gemeente Terneuzen 2022
Artikel 2.6, vierde lid
Voor wat betreft het deel van de bovengebruikelijke hulp onderzoekt het college op basis van het CIZ-protocol gebruikelijke hulp (zie bijlage 1) in samenspraak met de ouder(s) vervolgens, in hoeverre:
de ouder(s), eventueel met hulp van het sociale netwerk, in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden;
de ouder(s), eventueel met behulp van het sociale netwerk beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden;
de ouder(s) de hulp kunnen bieden zonder dat zij overbelast raken;
e ouder(s) de hulp zelf kunnen bieden zonder dat er financiële problemen ontstaan in het gezin. Voor dit deel van het onderzoek past de gemeente de normen van het persoonlijk budgetadvies van het Nibud toe.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1196.
5.Zie de uitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327.