Appellant, een minderjarige met diverse somatische aandoeningen, het syndroom van Asperger, ADHD en hoogbegaafdheid, vroeg verlenging van jeugdhulp bij de gemeente Zwijndrecht. De gemeente kende een deel van de hulp toe, maar weigerde een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding door de ouders, omdat zij meende dat het gezin zelf de zorg kon bieden zonder financiële belemmeringen.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de financiële gevolgen van het weigeren van het pgb, waarna de gemeente een financieel onderzoek liet uitvoeren. Dit onderzoek concludeerde dat het gezinsinkomen toereikend was, waarop de gemeente haar standpunt handhaafde. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep vast dat de maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders in de Jeugdwet niet toestaan om de financiële draagkracht van het gezin mee te wegen bij de beoordeling van het recht op jeugdhulp. De Raad vernietigt daarom het besluit en bepaalt dat appellant recht heeft op vier uur jeugdhulp per week in de vorm van een pgb tegen een uurtarief van €20. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.