ECLI:NL:RBZWB:2026:231

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/3592
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 30a, tweede lid, Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond; toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende stelde verzet in tegen een eerdere uitspraak waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-ontvankelijkheid. De rechtbank beoordeelde of deze niet-ontvankelijkheid terecht was vastgesteld, waarbij belanghebbendes betwisting van ontvangst van aangetekende stukken werd verworpen. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de stukken correct waren ontvangen via een postbus bij een Primera-winkel.

Daarnaast verzocht belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de beroepsprocedure, inclusief verzet, meer dan anderhalf jaar had geduurd en dat de redelijke termijn met ongeveer elf maanden was overschreden. Op grond hiervan werd een vergoeding van €500 toegekend.

Ook werd een proceskostenvergoeding van €11,68 toegekend aan belanghebbende, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de mate van toekenning van de immateriële schadevergoeding.

De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond, handhaafde de eerdere uitspraak en veroordeelde de Minister tot betaling van de immateriële schadevergoeding en de heffingsambtenaar tot betaling van de proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard, immateriële schadevergoeding van €500 en proceskostenvergoeding van €11,68 worden toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3592

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van

[belanghebbende], belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gemachtigde voert in verzet aan dat hij geen herinneringsnota heeft ontvangen. Gemachtigde heeft ook de track-and-trace informatie van PostNL, die als bijlage bij de uitspraak is meegestuurd, niet ontvangen. Gemachtigde betwijfelt of de handtekening op de track-and-trace informatie van hem is.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Algemene betwisting track-and-trace gegevens PostNL
2.3.
Gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen en dat de geplaatste handtekening op de track-and-trace informatie van PostNL de zijne is en verwijst naar de door hem ingediende processtukken.
2.4.
Alle correspondentie aan gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven [postbusadres] te [plaats]. Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres] in [plaats]. Gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart.
De (betwisting van de) ontvangst van aangetekende brieven in deze zaak
2.5.
De brief van 17 juni 2024 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 18 juni 2024 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gemachtigde de brief van 17 juni 2024 niet heeft ontvangen. De ontkenning van gemachtigde dat de handtekening op het afhaalbericht de zijne is, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gemachtigde de brief heeft ontvangen. [2]
Immateriëleschadevergoeding
2.6.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat indien het beroep niet-ontvankelijk is wegens niet betalen van griffierecht, er als uitgangspunt geen recht bestaat op immateriële schadevergoeding, tenzij de beroepsprocedure meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Indien de rechtbank na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.7.
De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 29 maart 2024. De beroepsprocedure, inclusief de verzetsprocedure, heeft meer dan anderhalf jaar geduurd. In dat geval moet de rechtbank een beslissing nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. [3]
2.8.
Uit de uitspraak op bezwaar volgt dat het bezwaarschrift op 8 maart 2023 door de heffingsambtenaar is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft op 26 maart 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond elf maanden overschreden. Deze overschrijding is voor afgerond vier maanden toe te rekenen aan de beroepsfase. De vergoeding bedraagt € 500,- per halfjaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft dan recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500,-.
Proceskostenvergoeding
2.9.
De rechtbank vindt in de toekenning van een immateriëleschadevergoeding aanleiding de Minister te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 11,68 (0,5 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor 0,25 en een factor 0,10). De rechtbank past een wegingsfactor van 0,25 toe, omdat uitsluitend recht op een proceskostenvergoeding bestaat wegens een aan de belanghebbende toe te kennen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [4] Verder heeft de rechtbank een factor 0,10 toegepast, aangezien de uitspraak op bezwaar in 2024 is genomen. [5]

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
3.1.
Het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen. Om die reden wordt ook een proceskostenvergoeding toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het verzet ongegrond;
 veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500,-;
 veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 11,68.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9937.
3.Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.
4.Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECL:NL:HR:2023:1526.
5.Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ (tekst 2024).