ECLI:NL:RBZWB:2026:221
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van een naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had eerder een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.239, welke na bezwaar werd verminderd tot € 4.153. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door gemachtigde [gemachtigde 2] en de inspecteur door [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank concludeert dat de inspecteur de kostenvergoeding moet verhogen en dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.