ECLI:NL:RBZWB:2026:221

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/11772
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had eerder een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.239, welke na bezwaar werd verminderd tot € 4.153. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door gemachtigde [gemachtigde 2] en de inspecteur door [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank concludeert dat de inspecteur de kostenvergoeding moet verhogen en dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11772
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.239 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.153.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Wel heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het beroep is in zoverre gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 23 augustus 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Alfa Romeo Stelvio Quadrifoglio met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 11.620.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 15.859 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
4.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de handelsinkoopwaarde verminderd naar € 54.517 en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.153. Tevens heeft de inspecteur een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase van € 592. [1]

Motivering

4.4.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade en schadeverleden in aanmerking moet worden genomen.
Herleidingsmethode
4.5.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [2] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Waardevermindering wegens schade
4.6.
Belanghebbende gaat uit van de taxatiemethode. Zij sluit voor de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan bij waarden genoemd in de uitspraak op bezwaar en stelt dat alleen nog een waardevermindering wegens schade en schadeverleden in aanmerking genomen moet worden.
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 10.473 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Tevens heeft belanghebbende rekening gehouden met een waardevermindering in verband met schadeverleden van € 5.452 en dit bedrag eveneens in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. De waardevermindering wegens een schadeverleden is door belanghebbende niet onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur verder heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Hoogte naheffingsaanslag
4.9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
4.10.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. [3]
4.11.
Zoals de Hoge Raad in het voornoemd arrest heeft geoordeeld, dient punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. Belanghebbendes klacht op dit punt is gegrond. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende heeft op 11 december 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 9 februari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 12 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/12 deel, derhalve € 333 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 667 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de toekenning van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332, wat verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds vergoed is. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934 met een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende op een ondergeschikt punt in het gelijk wordt gesteld. [4] De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 934 (2 maal € 934 maal 0,5) bedraagt. De totale vergoeding bedraagt daarom € 2.266 (€ 1.332 + € 934).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 667;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.1 punt voor het indienen van het bezwaar, 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde van € 296 per punt.
2.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
4.Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.