ECLI:NL:RBZWB:2026:219

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/6512
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.812 opgelegd door de inspecteur, die uitging van een hogere waardering van een Mercedes-Benz E-klasse dan belanghebbende had opgegeven. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld en beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd.

De kern van het geschil betreft de waardering van de auto, waarbij belanghebbende een lagere handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft opgegeven dan de inspecteur op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank volgt het oordeel van de Hoge Raad dat de herleidingsmethode niet toepasbaar is en stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade en overige waardeverminderingen hoger zijn dan normale gebruiksschade.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag. Wel kent zij belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa drie maanden. Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat het verzoek na een relevant arrest van de Hoge Raad is ingediend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6512
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

VOF [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 augustus 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.812 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 14 juni 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz E-klasse Estate 63 S AMG 4Matic met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.471.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 14.283 bedraagt op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel. Gelet hierop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

4.3.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade en overige waardeverminderingen in aanmerking moeten worden genomen.
Herleidingsmethode
4.4.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.5.
De bewijslast voor de handelsinkoopwaarde rust op belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in haar aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 27.500. Uitgaande van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 77.270 en de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schade van € 15.300 (96% van € 15.866) zou de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 61.970 en niet € 27.500 bedragen.
4.6.
Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat dit verschil wordt veroorzaakt doordat de taxateur, voor een bedrag van € 23.181 rekening heeft gehouden met een waardevermindering van 3 maal 10% van € 77.270 wegens bijzondere omstandigheden. Daarnaast is voor een bedrag van € 11.289 rekening gehouden met de herleidingsmethode. Nu de rechtbank deze methode reeds heeft verworpen gaat zij aan deze waarde voorbij. Ook met hetgeen belanghebbende voor het overige heeft verklaard heeft zij in elk geval niet aannemelijk gemaakt dat de waarde lager moet worden vastgesteld dan € 38.789 [2] . De rechtbank zal hieronder beoordelen of en in hoeverre belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat schade en overige waardeverminderingen in aanmerking moet worden genomen.
Waardevermindering wegens schade
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.866 en deze voor 96% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij overige waardeverminderingen in aanmerking genomen. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat belanghebbende voor de overige waardeverminderingen geen onderbouwing heeft gegeven en deze dus ook niet aannemelijk heeft gemaakt.
Hoogte naheffingsaanslag
4.9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.10.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 27 oktober 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 3 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
4.12.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt de volledige overschrijding voor de rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet deze kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [4]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.€ 27.500 vermeerderd met € 11.289.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.