ECLI:NL:RBZWB:2026:219
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.812 opgelegd door de inspecteur, die uitging van een hogere waardering van een Mercedes-Benz E-klasse dan belanghebbende had opgegeven. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld en beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd.
De kern van het geschil betreft de waardering van de auto, waarbij belanghebbende een lagere handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft opgegeven dan de inspecteur op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank volgt het oordeel van de Hoge Raad dat de herleidingsmethode niet toepasbaar is en stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade en overige waardeverminderingen hoger zijn dan normale gebruiksschade.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag. Wel kent zij belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa drie maanden. Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat het verzoek na een relevant arrest van de Hoge Raad is ingediend.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.