ECLI:NL:RBZWB:2026:218
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 5.340 aan Bpm opgelegd, alsook € 17 aan belastingrente. Belanghebbende had eerder aangifte gedaan voor de registratie van een Maserati Levante en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.242. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door een gemachtigde en de inspecteur door twee inspecteurs.
De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De inspecteur had de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 13.582 na een hertaxatie door de Dienst Domeinen Roerende Zaken, die geen significante schade aan de auto constateerde. Belanghebbende betwistte de hoogte van de naheffingsaanslag en voerde aan dat er schade aan de versnellingsbak was, maar de rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor een hogere schadevergoeding.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank erkent dat de redelijke termijn met 15 maanden is overschreden en kent een schadevergoeding van € 1.500 toe, waarvan € 700 voor rekening van de inspecteur en € 800 voor de Staat. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar kent wel een vergoeding voor de immateriële schade toe, evenals proceskosten voor het indienen van het verzoek.