ECLI:NL:RBZWB:2026:2166

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/2826 WAJONG
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWajong 2010Artikel 8:72 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering herziening Wajonguitkering uit 2012 wegens ontbreken nieuwe feiten of toename beperkingen

Eiseres verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 12 september 2012 waarbij haar aanvraag voor een Wajonguitkering werd afgewezen. Het UWV wees dit verzoek af, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank onderzocht of er sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een herziening van het oorspronkelijke besluit rechtvaardigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) concludeerde dat de beperkingen en klachten van eiseres, waaronder chronische pijn en psychische problematiek, reeds in 2012 bekend en meegewogen waren. Nieuwe diagnoses zoals gegeneraliseerde angststoornis en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis uit 2013 werden niet als nieuwe feiten beschouwd, omdat deze diagnoses geen aanleiding gaven tot meer beperkingen dan reeds vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het UWV het besluit zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd en dat het beroep ongegrond was. Wel werd het bestreden besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar het besluit van het UWV om niet terug te komen op de afwijzing van de Wajonguitkering uit 2012 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2826 WAJONG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 12 september 2012. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 12 september 2012, waarbij haar aanvraag om een Wajonguitkering is afgewezen. Het UWV heeft dit herzieningsverzoek met het besluit van 1 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij die afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de partner van eiseres
[de partner van eiseres] en de gemachtigde van het UWV.
Op zitting is het onderzoek geschorst om het UWV een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) een nadere beoordeling te laten maken.
2.3
De verzekeringsarts b&b heeft op 24 november 2025 gerapporteerd.
Eiseres heeft op deze rapportage gereageerd.
2.4
De rechtbank heeft het onderzoek op 2 maart 2026 gesloten nadat partijen hebben laten weten geen behoefte te hebben aan een tweede zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
Op 6 juli 2012 heeft eiseres, geboren op [geboortedag] 1993, bij het UWV een aanvraag ingediend voor een Wajonguitkering.
Met het besluit van 12 september 2012 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen. Aan dit besluit liggen de bevindingen van [verzekeringsarts] van 14 augustus 2012, een (kritische) Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 augustus 2012 en de bevindingen van [arbeidsdeskundige] van 3 september 2012 ten grondslag.
Eiseres heeft tegen het besluit van 12 september 2012 bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar met het besluit van 20 februari 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen de bevindingen van [verzekeringsarts b&b 3] van 8 november 2012 ten grondslag.
3.2
Op 1 november 2017 heeft eiseres bij het UWV een Aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen ingediend, waarbij ze heeft verzocht om een Indicatie banenafspraak. Met het besluit van 18 december 2017 heeft het UWV aan eiseres een Indicatie banenafspraak toegekend. Aan dit besluit liggen onder meer de conclusies van [verzekeringsarts] van 1 december 2017 ten grondslag.
3.3
Op 14 oktober 2020 heeft eiseres weer een Aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen ingediend, waarbij ze heeft verzocht om een Wajonguitkering. Met het besluit van 27 oktober 2020 heeft het UWV geweigerd het besluit van 12 september 2012 te herzien, omdat eiseres geen nieuwe informatie heeft overgelegd. Aan dit besluit ligt de rapportage van [verzekeringsarts] van 26 oktober 2020 ten grondslag.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dit bezwaar met het besluit van 26 februari 2021 ongegrond verklaard. Het UWV heeft dit besluit gebaseerd op de conclusies van [verzekeringsarts b&b 1] van 13 februari 2021.
3.4
Op 13 januari 2023 heeft eiseres wederom een Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend, waarbij ze heeft verzocht om een Wajong-uitkering. Met het besluit van 30 januari 2023 heeft het UWV deze aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft op 13 december 2023 verzocht om terug te komen op dit besluit.
Met het primaire besluit van 1 februari 2024 heeft het UWV meegedeeld geen aanleiding te zien om terug te komen op de beslissing van 30 januari 2023. Het UWV neemt dat verzoek niet in behandeling.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard. Het UWV stelt dat hij niet terugkomt op het besluit van 12 september 2012, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Er is ook geen sprake van een toename van arbeidsongeschiktheid door dezelfde klachten binnen 5 jaar. Het UWV heeft dit besluit gebaseerd op de conclusies van [verzekeringsarts b&b 2] van 18 februari 2024.
Grondslag van het bestreden besluit
4.1
De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en daarbij een veelheid aan medische informatie betrokken. Hij heeft gerapporteerd dat in 2012 is beoordeeld of eiseres aan de voorwaarden van de Wajong 2010 voor een uitkering voldoet. De verzekeringsarts is er indertijd van uitgegaan dat de pijnklachten in de hogere rug aanwezig waren voor het 18e jaar en heeft rekening gehouden met de geestelijke druk die eiseres van de pijnklachten ervaarde. De verzekeringsarts heeft op 14 augustus 2012 een FML opgesteld. De verzekeringsarts b&b heeft de door eiseres overgelegde informatie beoordeeld. Hij stelt dat een deel van die informatie al aanwezig was en is meegenomen in de vorige bezwaarprocedure. Uit die informatie blijkt dat er sprake is van een chronisch pijnsyndroom met pijn thoracaal tussen de schouderbladen. Er is sprake van scoliose, maar uit diverse brieven van de specialisten blijkt dat dit de pijn niet volledig kan verklaren. Op psychisch gebied wordt gesproken over een pijnstoornis. Deze pijnklachten waren tijdens de beoordeling in 2012 al aanwezig en meegewogen bij het opstellen van de FML. Er zijn volgens de verzekeringsarts b&b geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er op de 18e verjaardag andere aandoeningen aanwezig waren dan waarvan is uitgegaan. Hieruit volgt dat er geen medische argumenten zijn om meer beperkingen aan te nemen. De belastbaarheid is juist ingeschat. De PTSS is na de 18e verjaardag ontstaan, als gevolg van verschillende omstandigheden en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. De verzekeringsarts b&b ziet evenmin reden om een toename van beperkingen binnen 5 jaar na het 18e jaar aan te nemen. Uit de informatie blijkt dat de pijnklachten niet goed/volledig verklaard kunnen worden uit de scoliose en een wisselend beloop van verbetering en toename kenden. Het functioneren wordt in de 5 jaar niet anders beschreven dan in 2012 al bekend was. Er is daarom geen reden om meer beperkingen ten opzichte van de FML uit 2012 aan te nemen. [verzekeringsarts b&b 1] heeft dat al eerder in de rapportage van
13 februari 2021 aangegeven. Eiseres heeft daartegen geen beroep ingesteld.
4.2
In beroep heeft de verzekeringsarts b&b in reactie op de vraag van de rechtbank gerapporteerd dat hij het dossier nogmaals bestudeerd heeft met name de informatie met betrekking tot de psychische problematiek van eiseres, waaronder de brief van [psycholoog] van 4 april 2013. De verzekeringsarts b&b stelt (in tegenstelling tot wat in de rapportage van 18 februari 2024 vermeld staat) dat hieruit niet blijkt dat er een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis is, maar dat eiseres hiervan trekken heeft. Dit past bij de beschrijving van haar copingmechanismen. Nergens - zoals de brieven van de psycholoog, revalidatie en psychiater - wordt de diagnose ontwijkende persoonlijkheidsstoornis gesteld. De beperkingen die in 2012 zijn gesteld sluiten volgens de verzekeringsarts b&b voldoende aan bij de ontwijkende persoonlijkheidstrekken van eiseres. In 2013 en later worden angsten beschreven, zoals angst voor nieuwe dingen, pijn en wat anderen van haar vinden. In de periode van [geboortedag] 2011 tot [geboortedag] 2016 heeft eiseres een opleiding gevolgd en het theoretische deel afgerond. De verzekeringsarts b&b stelt dat de angst van eiseres wel als reëel wordt gezien, maar dat dat geen reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen. Met de angst wat anderen van haar vinden is voldoende rekening gehouden door een beperking op samenwerken. Later is de diagnose PTSS gesteld, maar dit is na de te beoordelen periode. Ook de diagnose somatisch symptoomstoornis is gesteld. Een diagnose alleen geeft geen inzicht in het functioneren. Met de pijnklachten en de psychische component werden in 2012 al rekening gehouden. De informatie geeft geen aanleiding om een toename in beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts b&b concludeert dat er geen reden is om op basis van de psychische problematiek meer beperkingen in de FML van 2012 aan te nemen of te stellen dat er sprake is van toegenomen beperkingen in de periode [geboortedag] 2011 tot [geboortedag] 2016. Er is mogelijk een toename van klachten, hoewel de klachten in enige mate wisselen, maar dat leidt niet tot een toename van beperkingen.
Beroep
5.1
Eiseres betwist dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die maken dat het besluit uit 2012 dient te worden herzien. In ieder geval is volgens eiseres sprake van toegenomen beperkingen binnen 5 jaar na haar 18e verjaardag.
5.2
Eiseres wijst daarbij op de gegeneraliseerde angststoornis en een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis die in 2013 zijn vastgesteld. Aannemelijk is dat deze mentale klachten ook al op het 18e jaar van eiseres bestonden. Ten onrechte is [verzekeringsarts b&b 3] in zijn rapport van 8 november 2012 ervan uitgegaan dat er geen sprake was van een onderliggende stoornis op lichamelijk en geestelijk gebied en ten onrechte zijn er in de FML van 2012 slechts lichte beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Gelet op de informatie van [psycholoog] uit 2013 hadden er meer beperkingen in de FML gesteld moeten worden, waaronder contact met klanten of patiënten. Als daarmee rekening zou zijn gehouden kan worden betwijfeld of eiseres geschikt was voor de functie telefonist/receptionist/typist die in 2012 geduid is.
5.3
Daarnaast wijst eiseres op de urenbeperking die in 2017 bij de beoordeling (in het kader van de Indicatie Banenafspraak) werd gesteld. Volgens eiseres is het aannemelijk dat deze beperking al ruim voor 1 januari 2015 van toepassing was, mogelijk zelfs al in 2012. Niet alleen werden in 2013 serieuze psychiatrische diagnoses gesteld, maar eiseres is in 2012-2013 ook langere tijd opgenomen geweest in verband met haar lichamelijke klachten. De motivering van het UWV over de Indicatie Banenafspraak vindt eiseres niet steekhoudend, gelet op de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige indertijd. Op basis van een toename van haar klachten was eiseres binnen 5 jaar na haar
18e verjaardag maar belastbaar voor 20 uur per week en daarmee niet in staat om 75% van het minimumloon te verdienen.
5.4
Volgens eiseres is er alle reden om te twijfelen aan de vastgestelde arbeidsongeschiktheid in 2012. Eiseres stelt dat zij op haar 18e jaar dan wel binnen 5 jaar daarna minstens 25% arbeidsongeschikt was, op basis van feiten kort na de beoordeling in 2012 die tot nu toe niet of onvoldoende door het UWV zijn betrokken.
Wettelijk kader
6. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Overwegingen van de rechtbank
7.1
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). [1]
Het UWV heeft op het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van
12 september 2012 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 12 september 2012 te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Daarbij ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [2]
7.2
Volgens eiseres maken de diagnoses gegeneraliseerde angststoornis en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, die in 2013 zijn gesteld, dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de beoordeling van [verzekeringsarts b&b 3] indertijd, de FML van 14 augustus 2012 en het besluit van
12 september 2012 niet juist zijn. Daarnaast volgt dat volgens eiseres uit de urenbeperking die in 2017 gesteld is.
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b afdoende gesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht. Uit vaste rechtspraak volgt dat een diagnose op zichzelf bezien geen nieuw feit is. Een diagnose betekent niet zonder meer dat er meer beperkingen aangenomen hadden moeten worden. Het gaat om de vraag of de klachten die aan deze diagnoses ten grondslag liggen relevant zijn voor de beoordelingsdatum (18e jaar) en of deze klachten destijds bij het UWV bekend waren. [3] Overigens stelt de verzekeringsarts b&b terecht dat in de stukken van de psycholoog van
4 april 2013 en 19 november 2013 de diagnose ontwijkende persoonlijkheidsstoornis niet is gesteld, maar dat sprake is van trekken van een dergelijke stoornis.
De rechtbank leidt uit de rapportage van [verzekeringsarts b&b 3] van 8 november 2012 af dat hij eiseres heeft gezien, haar lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en de toen beschikbare medische informatie van onder meer de psycholoog, orthopeed en neuroloog heeft betrokken. De chronische pijnklachten en de mentale gevolgen daarvan waren daarmee bekend bij de verzekeringsarts b&b. In de FML van 2012 zijn in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen gesteld. De rechtbank ziet in het dossier verder geen informatie die een nieuw licht werpt op de psychische of fysieke toestand van eiseres ten tijde van de beoordeling in 2012 of op haar 18e verjaardag. In de door eiseres aangehaalde informatie van [psycholoog] van 4 april 2013 – dat zij weinig onderneemt op sociaal gebied, aangeeft snel te blozen en het lastig vindt om een gespreksonderwerp te vinden – ziet de rechtbank daarvoor in ieder geval geen reden, evenals in de urenbeperking die in het kader van de Indicatie Banenafspraak in 2017 gesteld is. Behalve dat die urenbeperking pas ruim na datum in geding is gesteld, betreft de beoordeling in het kader van de Indicatie Banenafspraak een andersoortige beoordeling [4] .
Daar komt bij dat de verzekeringsarts b&b in beroep afdoende heeft toegelicht dat op basis van de psychische problematiek er geen aanleiding bestaat meer beperkingen aan te nemen in de FML van 2012.
Nu niet is gebleken dat er bij de beoordeling in 2012 relevante aspecten in de belastbaarheid zijn gemist of dat het besluit van 12 september 2012 (onmiskenbaar) onjuist is, is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om dat besluit te herzien, ook niet voor de toekomst (duuraanspraak). Het bestreden besluit, waarbij is geweigerd om het besluit van
12 september 2012 te herzien, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet evident onredelijk.
Amber
7.4
In het geval de aanvraag als Amber-melding aangemerkt moet worden, moet de aanvrager feiten of omstandigheden aandragen die deze aanvraag ondersteunen. Het UWV zal moeten onderzoeken of er aanleiding bestaat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering toe te kennen, te heropenen dan wel te herzien.
7.5
Een Amber-situatie is aan de orde als er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de
18e verjaardag. De te beoordelen periode betreft de periode van [geboortedag] 2011 tot [geboortedag] 2016.
7.6
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b afdoende toegelicht dat een Amber-situatie voor wat betreft de fysieke klachten niet aan de orde is. In beroep heeft hij afdoende toegelicht dat dat ook voor wat betreft de psychische klachten geldt. Ook de rechtbank leidt uit de stukken af dat de fysieke en psychische klachten van eiseres een wisselend verloop kennen waarbij het soms wat beter en soms weer wat minder gaat, maar dat betekent niet dat er ook een toename van beperkingen was ten opzichte van de beoordeling in 2012. Daarnaast betekent, zoals reeds overwogen, een diagnose an sich nog geen toename van beperkingen, dateert de gestelde urenbeperking in 2017 in het kader van de Indicatie Banenafspraak van na de Amberperiode en betreft die beoordeling een andere beoordeling.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken die zien op de Amberperiode niet dat er sprake is van een verslechtering van de fysieke en psychische belastbaarheid van eiseres als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak in de 5 jaar na de 18e verjaardag. Het UWV heeft daarom evenmin om deze reden een Wajonguitkering aan eiseres hoeven toekennen.

Conclusie en gevolgen

7.1
Het beroep is gegrond, omdat het UWV pas in beroep voldoende en volledig heeft gemotiveerd waarom een Ambersituatie niet aan de orde is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. Het UWV heeft immers wel terecht aan de weigering een Wajong-uitkering toe te kennen ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een Ambersituatie. Dit betekent dat er inhoudelijk niets verandert.
7.2
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten.
Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,
1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0.5 punt voor de reactie op de rapportage van de verzekeringsarts b&b met een waarde per punt van € 934,-, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffer, op 24 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wajong
Artikel 1a:1
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 2:3
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:
a. aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende
52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. Indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, dan wordt de ingezetene alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1991)
2.uitspraken van de CRvB van 22 januari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:88) en 9 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1796)
3.uitspraak van de CRvB van 1 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1443)
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:961)