Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2165

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/5415
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 WVWArt. 3:4 AwbArt. 3:9 AwbArt. 3:2 AwbArt. 5.6.8 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging rijverbod RDW wegens onjuiste snelheidsmeting en toekenning beperkte schadevergoeding

De RDW legde op 16 juli 2025 een rijverbod op aan eiser voor zijn bromfiets vanwege overschrijding van de maximumconstructiesnelheid, gebaseerd op een WOK-melding van de politie. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de snelheidsmeting niet volgens de wettelijke eisen was uitgevoerd, met name dat geen rijproef in twee richtingen had plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelt dat de RDW niet bevoegd was het rijverbod op te leggen omdat de meting niet voldeed aan de wettelijke vereisten uit de Regeling voertuigen, die een rijproef voorschrijft bij het ontbreken van een bromfietsrollentestbank. De gebruikte gekalibreerde boordsnelheidsmeting voldoet niet aan deze voorwaarden.

Eiser had ondanks het vervallen van het rijverbod nog procesbelang vanwege de gevorderde schadevergoeding. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor de keuring en extra reiskosten, maar wijst overige schadeposten af. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de RDW wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het rijverbod wordt vernietigd en de RDW wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €132,20 aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

De directie van de RDW (de RDW), verweerder

(gemachtigde: mr. M. Arends).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de RDW tot het opleggen van een verbod voor het rijden over de weg voor het voertuig met kenteken [kenteken] . Eiser is het niet eens met de oplegging van het rijverbod. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het verbod voor het rijden over de weg voor het desbetreffende voertuig.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW niet bevoegd is tot het opleggen van een rijverbod op grond van artikel 48, zevende lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2. De RDW heeft op 12 juli 2025 een melding van de politie Eenheid Zeeland- West-Brabant ontvangen voor een verbod voor het rijden op de weg vanwege het overschrijden van de maximumconstructiesnelheid (een zogenaamde WOK-melding – Melding onder Keuring). Het gaat om de bromfiets van eiser met kenteken [kenteken] . De politie heeft het verbod voor het rijden op de weg op dezelfde datum aangezegd. Met het besluit van 16 juli 2025 heeft de RDW het rijverbod aan eiser opgelegd.
2.1
Eiser heeft tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.2
Op 3 september 2025 heeft de RDW opgemerkt dat eiser de bromfiets ter keuring aan de RDW heeft aangeboden en dat het rijverbod is vervallen.
2.3
Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van eiser is de RDW bij de oplegging tot het rijverbod gebleven, onder verbetering en aanvulling van de motivering.
2.4
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en mr. P.W.L. Thomas namens de RDW.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van het RDW
3. Volgens het RDW heeft de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant op 12 juli 2025 geconstateerd dat het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] niet voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde eisen, omdat sprake is van een overschrijding van de maximumconstructiesnelheid met 24 km per uur. De RDW mag in beginsel uitgaan van een melding van de politie. De RDW ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de snelheidsmeting onjuist is verricht en is van mening dat het rijverbod terecht is opgelegd. De verbalisant heeft eiser na de staandehouding meteen een rijverbod opgelegd en eiser was vanaf dat moment op de hoogte van het besluit. De RDW stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van eiser
4. Volgens eiser heeft het onderzoek naar de constructiesnelheid niet op de juiste wettige manier plaatsgevonden en is geen sprake van een zorgvuldig onderzoek. Er is geen proces-verbaal opgemaakt. De verklaringen van de verbalisanten zijn niet consistent en bevatten onwaarheden. De snelheidsmeting is niet correct uitgevoerd en kan geenszins in de plaats komen van een rijproef. De snelheidsmeting werd slechts in één richting uitgevoerd, terwijl een wettelijke rijproef in twee richtingen uitgevoerd moet worden. De weg waarop de verbalisanten de snelheidsmeting hebben uitgevoerd, liep bovendien anders dan het fietspad waar de bromfiets op reed, waardoor geen objectieve vaste tussenafstand kon worden ingeschat en de boordsnelheidsmeter niet kon worden gebruikt voor een snelheidsmeting. Het verbod op rijden op de weg hoort volgens eiser gebaseerd te zijn op het overschrijden van de maximale constructiesnelheid van het voertuig, in plaats van het overschrijden van de ter plaatse geldende maximale snelheid. Het gevolg van de onzorgvuldige toetsing is voor eiser onevenredig groot geweest. Vanwege de duur van de bezwaarprocedure heeft eiser zijn bromfiets voor lange tijd niet kunnen gebruiken en heeft hij kosten moeten maken. Eiser vordert deze kosten als schade.
Wettelijk kader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geschil
6. De vraag is of eiser nog procesbelang heeft, omdat het rijverbod inmiddels is vervallen. Als sprake is van een procesbelang, moet worden beoordeeld of de RDW uit mag gaan van de informatie in de WOK-melding van de politie en of zij in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om het rijverbod voor het voertuig van eiser op te leggen.
Heeft eiser nog procesbelang?
7. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser nog procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep. De rechtbank komt namelijk slechts toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep als eiser procesbelang heeft.
7.1
Procesbelang houdt in dat iemand een belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
7.2
In het e-mailbericht van 3 september 2025 heeft de RDW geconcludeerd dat eiser de bromfiets ter keuring aan de RDW heeft aangeboden en dat het rijverbod is vervallen. Het is volgens de RDW dan ook de vraag of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep, nu het rijverbod niet langer van kracht is.
7.3
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat procesbelang ook gelegen kan zijn in de financiële vergoeding van schade. De rechtbank moet toetsen of de mogelijkheid bestaat dat het verzoek om schadevergoeding, na vernietiging van het bestreden besluit, wordt toegewezen. Dit is slechts het geval indien tot op zekere hoogte, aannemelijk is gemaakt dat de schade daadwerkelijk het gevolg is van het bestreden besluit. [1] De vraag of de schade op zichzelf aannemelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van overgelegde gegevens en bescheiden. De enkele stelling dat er schade is geleden, is niet voldoende.
7.4
Eiser heeft in het beroepschrift diverse kosten als schade gevorderd. Eiser heeft verzocht om vergoeding van kosten van de keuring die naar zijn mening niet nodig was, reiskosten naar de keuring, kosten van een opgenomen vrije dag voor de keuring, extra reiskosten gedurende het rijverbod en het honorarium van zijn gemachtigde voor het aantekenen van beroep. Eiser voert aan dat de gemaakte kosten in totaal € 315,55 bedragen. Eiser heeft schadeposten voor wat betreft de kosten van de keuring onderbouwd met een bankafschrift. Daarnaast heeft hij een e-mailbericht met een werkplanning van zijn werkgever overlegd, met een toelichting over de meerkosten voor het woon-werkverkeer gedurende tien dagen in de periode van de WOK-status. Eiser heeft eveneens toegelicht wat de reiskosten en de opgenomen vrije dag in verband met de keuring bedragen.
7.5
Hoewel de door eiser gestelde schade relatief gering is, heeft hij hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij procesbelang heeft bij de vaststelling van de rechtmatigheid van het reeds vervallen rijverbod. De rechtbank zal het beroep dan ook inhoudelijk beoordelen.
Mocht de RDW uitgaan van de gegevens uit de WOK-melding van de politie?
8. De politie heeft op 12 juli 2025 een rapport opgemaakt en op 15 juli 2025 een WOK-melding aan de RDW verzonden. Hoewel de RDW het rapport van 12 juli 2025 in het dossier aanhaalt als ‘proces-verbaal’, is dit rapport naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat de melding van de politie van 15 juli 2025 met bijbehorend rapport van 12 juli 2025 moet worden beschouwd als een deskundigenadvies. [2]
8.1
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat de RDW de uitslag van een gekalibreerde boordsnelheidsmeting uit de WOK-melding ten grondslag heeft gelegd aan het besluit tot het opleggen van het rijverbod.
8.2
Omdat de RDW een deskundigenadvies aan het bestreden besluit ten grondslag legt, moet zij zich ervan vergewissen dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud inzichtelijk en concludent is. [3] Deze vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs.
8.3
Uit de WOK-melding van de politie blijkt dat eiser de maximumconstructiesnelheid heeft overschreden. In het rapport van 12 juli 2025 is door een van de verbalisanten opgenomen dat de werkelijke snelheid is vastgesteld met behulp van de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door met een constante snelheid te blijven rijden.
8.4
De politie heeft met de boordsnelheidsmeter geconstateerd dat de bromfiets bij de eerste meting met een snelheid van 75 km/u reed en bij de tweede meting met een snelheid van 80 km/u. Gecorrigeerd komt dit neer op 72 respectievelijk 77 km/u. De gemiddelde meting komt uit op 74 km/u. De toegestane maximumsnelheid bedraagt 50 km/u, waardoor de maximumconstructiesnelheid met 24 km/u werd overschreden. Ter zitting heeft de RDW toegelicht dat de wettelijke grondslag voor de meting in artikel 2.1 van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen is gelegen.
8.5
Volgens eiser heeft de politie de overschrijding van de maximumconstructiesnelheid niet met een gekalibreerde boordsnelheidsmeter mogen vaststellen, waardoor de RDW op dit punt niet uit mag gaan van de juiste totstandkoming en inhoud van de WOK-melding van de politie.
8.6
De rechtbank stelt vast dat het rijverbod is gebaseerd op artikel 48, zevende lid van de WVW, op grond waarvan de RDW in bepaalde gevallen mag bepalen dat met een ingeschreven en te naam gesteld motorrijtuig of aanhangwagen niet op de weg mag worden gereden. Dit artikel verwijst naar de Regeling voertuigen.
In artikel 5.6.8, eerste lid van de Regeling voertuigen is bepaald dat bromfietsen met een maximumconstructiesnelheid van 45 km/u bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/u, moeten voldoen.
8.7
Eiser stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat in artikel 5.6.8 van de Regeling voertuigen is opgenomen dat het bepaalde in de artikelen 28 tot en met 29a van bijlage VIII van toepassing is. Volgens artikel 28 en Pro verder van bijlage VIII bij de Regeling voertuigen kan de meting van de maximumconstructiesnelheid plaatsvinden met behulp van een bromfietsrollentestbank of, wanneer de maximumconstructiesnelheid niet met een bromfietsrollentestbank kan worden gemeten, door middel van een rijproef.
8.8
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat de politie het gebruik van een bromfietsrollentestbank heeft overwogen. Ter zitting heeft de RDW verklaard dat een bromfietsrollentestbank niet voorhanden was. De rechtbank overweegt dat de politie in dat geval een rijproef had moeten uitvoeren conform de vereisten van artikel 29a van bijlage VIII bij de Regeling voertuigen. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat de in dit geval uitgevoerde gekalibreerde boordsnelheidsmeting niet aan de voorwaarden voor een rijproef voldoet. De RDW mocht daarom niet uitgaan van de WOK-melding en de daarin opgenomen gegevens.
8.9
Anders dan de RDW stelt, vormt artikel 2.1 van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag voor de gebruikte methode van een gekalibreerde boordsnelheidsmeting bij het opleggen van een rijverbod zoals bedoeld in artikel 48, zevende lid van de WVW. De wél in artikel 28 t/m 29a bijlage VIII bij de Regeling voertuigen voorgeschreven meting door middel van een bromfietsrollentestbank of een rijproef heeft niet plaatsgevonden.
8.1
Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de voorwaarden om gebruik te maken van de bevoegdheid om een rijverbod op te leggen.
8.11
De rechtbank ziet aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De overige beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking.
Heeft eiser recht op schadevergoeding?
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van kosten van de keuring, reiskosten naar de keuring, kosten van een opgenomen vrije dag voor de keuring, extra reiskosten gedurende het rijverbod en het honorarium van zijn gemachtigde voor het aantekenen van beroep.
9.1
De rechtbank wijst de kosten voor de keuring van € 82,- toe, omdat dit een rechtstreeks gevolg is van het ten onrechte opgelegde rijverbod en eiser deze kosten heeft onderbouwd met een bankafschrift.
9.2
De door eiser gestelde meerkosten voor het woon-werkverkeer van tien werkdagen in verband met het niet kunnen gebruiken van de bromfiets ten tijde van het rijverbod zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en zijn eveneens een rechtstreeks gevolg van het ten onrechte opgelegde rijverbod. Hoewel de RDW heeft aangevoerd dat eiser zelf met het aanvragen van de keuring heeft gewacht, is ter zitting gebleken dat per keuringslocatie verschilt hoe snel een keuring plaats kan vinden. Hierdoor is niet vast te stellen of, zoals de RDW stelt, de keuring daadwerkelijk eerder kon plaatsvinden. Eiser heeft de extra gemaakte kosten voor het woon- werkverkeer met een berekening uiteengezet en met stukken aangetoond dat hij op de betreffende werkdagen op de aangegeven locatie moest zijn. De rechtbank wijst de kosten van € 50,20 toe.
9.3
Eiser heeft aangevoerd dat hij de bromfiets in een aanhanger met een auto naar de keuringslocatie heeft vervoerd en verzoekt om vergoeding van de hiervoor gemaakte kosten. In het bestreden besluit is vermeld dat eiser op de dag van de keuring de kortste route naar de keuring en weer terug mag rijden met het voertuig. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de kosten voor het transport van de bromfiets naar en van de keuringslocatie af.
9.4
De kosten voor het opnemen van een vrije dag in verband met de keuring zijn niet met stukken onderbouwd en de rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser voor de keuring een gehele werkdag vrij moest nemen.
9.5
De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot een proceskostenvergoeding dan wel vergoeding van het honorarium van de gemachtigde van eiser, gezien het feit dat de gemachtigde geen professioneel rechtsbijstandverlener is.
9.6
Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank de RDW tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 132,20. De overige gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
10.1
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de RDW het door hem betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
10.2
Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding, gelet op overweging 9.5.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • veroordeelt de RDW tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 132,20;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
  • draagt de RDW op het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 30 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:4, tweede lid van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
In artikel 3:9 van Pro de Awb is bepaald dat, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Wegenverkeerswet 1994
Volgens artikel 48, zevende lid van de Wegenverkeerswet kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat in door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen met een ingeschreven en te naam gesteld motorrijtuig of aanhangwagen niet op de weg mag worden gereden. Aan deze bevoegdheid is invulling gegeven in de Regeling voertuigen.
Regeling voertuigen
Artikel 1.1 van de Regeling voertuigen bevat de definitie van een bromfiets: ‘voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e.’
In hoofdstuk 5, afdeling 6 van de Regeling voertuigen zijn bepalingen over bromfietsen opgenomen. Volgens artikel 5.6.0 moet een bromfiets voldoen aan de in die afdeling opgenomen eisen en wordt een bromfiets beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Artikel 5.6.8 van de Regeling voertuigen bepaalt dat bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, moeten voldoen.
Op grond van artikel 28 van Pro bijlage VII van de Regeling voertuigen kan de meting van de maximumconstructiesnelheid op twee manieren plaatsvinden.
In artikel 29a, eerste lid van bijlage VII van de Regeling voertuigen is over de rijproef het volgende vastgesteld:
1. Een rijproef om de maximumconstructiesnelheid te meten wordt in twee tegengestelde rijrichtingen uitgevoerd:
a. op een nagenoeg vlak en horizontaal wegdek;
b. door een bestuurder met een massa van minimaal 75 kg;
c. met behulp van een daarvoor geschikt meetmiddel, waarbij de meting dient te geschieden terwijl het voertuig de maximaal haalbare snelheid heeft bereikt.
2. De gemeten maximumconstructiesnelheid is het gemiddelde van twee metingen, waarbij de gemiddelde waarde op een heel getal wordt afgekapt.
Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen
In artikel 2.1 van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen is vastgesteld dat de maximale fout voor gekalibreerde boordsnelheidsmeters 3 km/u bedraagt voor snelheden niet hoger dan 100 km/u en 3 procent van de werkelijke snelheid voor snelheden hoger dan 100 km/u.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:3585, r.o. 2.2 en ECLI:NL:RBDHA:2024:12573.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:2488.