Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2140

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/7318 en 24/7319
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling en arbeidsgeschiktheid

Eiseres, voormalig administratief logistiek medewerker, meldde zich op 18 oktober 2021 ziek wegens rugklachten. Na een eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZW) beëindigde het UWV haar ZW-uitkering per 18 maart 2023, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor drie geduide functies. Eiseres meldde zich opnieuw ziek op 19 april 2024, waarna het UWV haar ZW-uitkering per 4 juli 2024 beëindigde, omdat haar beperkingen niet waren toegenomen.

De rechtbank beoordeelde de medische rapportages van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige, die concludeerden dat eiseres ondanks haar klachten geschikt was voor licht belastende functies. Eiseres voerde aan dat haar beperkingen in de praktijk groter waren dan vastgesteld, maar zij overlegde geen objectieve medische onderbouwing die dit ondersteunde. De rechtbank oordeelde dat de subjectieve klachtenbeleving niet doorslaggevend is en dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren.

De arbeidsdeskundige stelde dat de geduide functies passend waren en dat eiseres instemde met de vastgestelde maatmanomvang. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt is voor de geduide functies. Beide beroepen werden ongegrond verklaard, zonder toekenning van proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen van eiseres ongegrond en bevestigt de beëindiging van haar Ziektewetuitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/7318 ZW en BRE 24/7319 ZW

uitspraak van 19 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.A. Verboven),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging door het UWV van de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) per 18 maart 2023 (zaaknummer 24/7319) en de beëindiging van haar ZW-uitkering per 4 juli 2024 (zaaknummer 24/7318). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide beëindigingen correct zijn. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
De voor de beoordeling van beide beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten en procesverloop

2. Eiseres is werkzaam geweest als administratief logistiek medewerker. Tijdens een periode van werkloosheid heeft eiseres zich op 18 oktober 2021 ziekgemeld wegens rugklachten.
2.1.
Bij een zogeheten eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZW-beoordeling) heeft het UWV geoordeeld dat eiseres in staat is om passende arbeid te verrichten, in de vorm van drie geduide functies. Met het besluit van 17 februari 2023 (primair besluit 1) heeft het UWV daarom de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 18 maart 2023 beëindigd.
2.2.
Vanaf die datum is haar WW-uitkering weer voortgezet. Op 19 april 2024 heeft eiseres zich ziek gemeld vanwege toegenomen klachten. Dit heeft opnieuw geleid tot een ZW-uitkering.
2.3.
Het UWV heeft met het besluit van 1 juli 2024 (primair besluit 2) aan eiseres medegedeeld dat zij per 4 juli 2024 weer geschikt wordt geacht voor (een van) de eerder geduide functies en dat haar ZW-uitkering daarom per die datum wordt beëindigd.
2.4.
Met een besluit van 16 september 2024 (bestreden besluit 2) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
2.5.
Met een besluit van 17 oktober 2024 (bestreden besluit 1) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten.
2.7.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft beide beroepen op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens het UWV mr. H.M. van Gent.

Beoordeling in zaaknummer 24/7319 (beëindiging per 18 maart 2023)

Grondslag bestreden besluit
3. Aan bestreden besluit 1 heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Toetsingskader
4. Bij de beoordeling of bestreden besluit 1 juist is, is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
4.1.
Niet in geschil is dat eiseres 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiseres in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
Medische beoordeling
5. Bestreden besluit 1, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiseres onderzocht. Hij rapporteert dat de beweeglijkheid van de rug niet is aangedaan, maar dat flexie wel behoedzaam gaat. Uit het dagverhaal blijkt dat eiseres aan zelfverzorging doet, zelf boodschappen doet en haar eigen administratie bijhoudt. Zij doet ook aan yoga, bewegingen, ontspanningsoefeningen en zwemmen. Eiseres is eerder bij de neuroloog geweest, die een lumbale HNP heeft geconstateerd. Hiervoor is zij conservatief behandeld, waarna verbetering in de klachten is opgetreden, maar wegens aanhoudende klachten is toch een nieuwe scan verricht. Daaruit blijkt dat geen sprake meer is van een radiculair conflict. Eiseres is vervolgens in België geweest voor een second opinion, waar een ENMG is verricht en daarbij zijn nog wel afwijkingen vastgesteld. De verzekeringsarts rapporteert dat de klachten van eiseres plausibel zijn en consistent met zijn eigen bevindingen. Er worden daarom beperkingen aangenomen op dynamische en statische houdingen. Aangezien eiseres continu pijn heeft en haar nachtrust is verstoord, wordt ook rekening gehouden met een verminderde energetische belastbaarheid. Met de gestelde beperkingen worden de vermoeidheidsklachten ondervangen. Er is geen grond om een urenbeperking aan te nemen. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 januari 2023.
5.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en de telefonische hoorzitting bijgewoond. Zij heeft ook de brief van [neuroloog] van 12 juni 2023 betrokken in haar beoordeling.
De verzekeringsarts b&b kan zich vinden in de conclusies van de primaire verzekeringsarts. Er is sprake van rugklachten met uitstraling naar de benen op basis van specifieke rugpathologie, wat wordt bevestigd in de brief van de neuroloog van 12 juni 2023. Eiseres is terecht aangewezen op fysiek relatief licht belastende arbeid, waarbij met name rekening is gehouden met een beperkte belastbaarheid van de wervelkolom en de onderste extremiteiten. Eiseres geeft weliswaar aan meer beperkingen te ervaren, maar in de beoordeling van de functionele mogelijkheden is de subjectieve klachtenervaring niet doorslaggevend, maar de mate waarin de beperkingen objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Door eiseres is geen medisch objectieve informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden.
6. Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de in de FML vastgestelde belastbaarheid niet aansluit bij wat zij feitelijk kan. Zij stelt dat zij slechts ongeveer 30 keer per uur kan buigen, terwijl in de FML is aangenomen dat zij circa 150 keer per uur kan buigen. Verder stelt zij dat zij in haar werk als medewerker woonkamer niet in staat was een kar met bevoorrading te duwen of te trekken en dat dit minder was dan 150 N (15 kgf), terwijl de FML uitgaat van een duw en trekkracht van 150 N. Ook voert eiseres aan dat zij niet meer dan 3 kg kan tillen, terwijl in de FML is opgenomen dat zij incidenteel tot 10 kg kan tillen. Tot slot stelt zij dat zij hooguit 45 minuten kan zitten en meestal tussentijds niet langer dan 30 minuten, terwijl de FML uitgaat van één uur aaneengesloten kunnen zitten.
Daarnaast voert zij aan dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat zij door haar pijnklachten slecht slaapt en in de middag al zo moe is dat zij niet tot fysieke inspanningen in staat is. De verzekeringsarts heeft niet meegewogen dat de pijn waarmee zij de hele dag leeft ook vermoeiend is. Zij stelt dat zij door fysiotherapie en oefeningen thuis de oefeningen tijdens het spreekuur wel kan uitvoeren, maar dat daarna pijn ontstaat en dat die pijn regelmatig de hele dag blijft zeuren als gevolg van die bewegingen en andere dagelijkse activiteiten. Dit is niet vermeld in de rapportage. Ook is niet vermeld dat de pijn toeneemt als de bewegingen frequenter worden uitgevoerd en dat zij hersteltijd nodig heeft tussen en na fysieke activiteiten. In de functies die zij heeft geprobeerd moest zij de werkzaamheden staken omdat het fysiek te zwaar was. Eiseres stelt dat zij niet meer dan zes uur per week kan werken.
Tot slot voert eiseres aan dat de verzekeringsarts b&b niets zegt over het onderzoek van 12 juni 2023, terwijl dit andere resultaten heeft dan het eerdere onderzoek. Ook is volgens haar onduidelijk waarom de verzekeringsarts b&b wel bevestigt dat uit het ENMG blijkt dat de klachten zijn toegenomen, maar dit niet tot aanpassing van de FML heeft geleid.
7. De beroepsgronden van eiseres komen er in de kern op neer dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met de klachten en beperkingen die eiseres in de praktijk ervaart. De rechtbank overweegt dat de (subjectieve) beleving van eiseres wel een rol speelt bij de beoordeling, maar niet doorslaggevend kan zijn. Doorslaggevend zijn de objectief medisch vast te stellen beperkingen. Uit hun rapportages blijkt dat de verzekeringsartsen zowel de door eiseres gestelde klachten en beperkingen als de beschikbare medische informatie (waaronder het medische stuk van 12 juni 2023) bij hun beoordeling hebben betrokken. Zo vermeldt de primaire verzekeringsarts expliciet dat eiseres continu pijn en een verstoorde nachtrust heeft en dat daarom rekening is gehouden met een verminderde energetische belastbaarheid, maar dat met de gestelde beperkingen de vermoeidheidsklachten worden ondervangen. Anders dan eiseres stelt, heeft de verzekeringsarts b&b de brief van [neuroloog] van 12 juni 2023 wel degelijk expliciet betrokken in haar heroverweging. De verzekeringsarts b&b verbindt daar alleen andere conclusies aan dan eiseres. Het onderzoek door de verzekeringsartsen is dan ook voldoende zorgvuldig geweest.
7.1.
De rechtbank ziet in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten voor de door eiseres gestelde behoefte aan extra hersteltijd. Ook voor de gestelde urenbeperking (tot zes uur per week) ontbreekt een medische onderbouwing. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat voor het aannemen van een urenbeperking pas aanleiding bestaat, als met het stellen van beperkingen op andere onderdelen van de FML niet op voldoende wijze tegemoet kan worden gekomen aan de door het UWV erkende problematiek van betrokkene. [1]
7.2.
Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat zij op de door haar genoemde punten verdergaand beperkt is dan in de FML van 6 januari 2023 is aangenomen. Al met al ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Arbeidskundige beoordeling
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies voor eiseres geschikt geacht:
- baliemedewerker (service en info) (SBC-code 315150),
- administratief medewerker(document scannen) (SBC-code 315133) en
- administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100).
De arbeidsdeskundige b&b heeft de maatmanomvang hoger vastgesteld dan in de primaire beoordeling, namelijk op 24,56 uur per week.
8.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat de geduide functies ten onrechte als passend zijn aangemerkt. Dit standpunt hangt nauw samen met haar stelling dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zoals hiervoor is overwogen slaagt die stelling niet.
Eiseres stelt nog dat de functie baliemedewerker niet geschikt is, omdat dit in feite dezelfde werkzaamheden betreft als de functie die zij verrichtte voorafgaand aan haar uitval. Volgens eiseres is in de praktijk gebleken dat deze werkzaamheden voor haar te zwaar waren en is zij in de proeftijd ontslagen.
De rechtbank overweegt dat, zoals het UWV in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt, niet de functienaam bepalend is, maar de feitelijke belasting in de geduide functie. Dat eiseres eerder een functie met dezelfde naam heeft verricht en dat dit haar te zwaar viel, zegt op zichzelf niets over de belasting van de geduide functies. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de belasting in de geduide functies zoals die blijkt uit het ‘resultaat functiebeoordeling’. Uit de resultaat functiebeoordeling blijkt dat de belasting van eiseres in de functie baliemedewerker niet wordt overschreden. Datzelfde geldt ook voor de overige geduide functies.
8.2.
De rechtbank gaat daarom uit van de geschiktheid van de hiervoor genoemde functies, zodat die mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
8.3.
Ter zitting is gebleken dat eiseres instemt met de door de arbeidsdeskundige b&b vastgestelde omvang van de maatman.
8.4.
Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
9. Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering van eiseres dus terecht beëindigd per 18 maart 2023.

Beoordeling in zaaknummer 24/7318 (beëindiging per 4 juli 2024)

Grondslag bestreden besluit
10. Aan bestreden besluit 2 heeft het UWV ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen, zodat eiseres (nog steeds) arbeidsgeschikt is voor de functies die waren geduid bij de beëindiging van de ZW-uitkering per 18 maart 2023.
Toetsingskader
11. Uit rechtspraak van de CRvB [2] volgt het volgende toetsingskader als eerder een EZW-beoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld:
Zijn de beperkingen bij de nieuwe ziekmelding toegenomen ten opzichte van de beperkingen die zijn vastgesteld bij EZW-beoordeling? Zo nee, dan is deze vaststelling voldoende om de weigering van ZW te kunnen dragen.
Zijn de beperkingen toegenomen, dan zal beoordeeld moeten worden of de eerder geduide functies geschikt zijn. Deze beoordeling kan in eerste instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid. Als er ook arbeidskundige gronden naar voren worden gebracht, zullen die ook beoordeeld moeten worden.
Als een of meer functies niet geschikt zijn, moeten er, van de oorspronkelijk geselecteerde functies, tenminste 3 geschikte functies met 3 arbeidsplaatsen overblijven die leiden tot een mate van arbeidsgeschiktheid van tenminste 65%.
Zijn de beperkingen toegenomen?
12. Bestreden besluit 2 is gebaseerd op een rapport van een arts (dat is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een rapport van een verzekeringsarts b&b.
12.1.
De arts heeft het dossier bestudeerd en eiseres op het spreekuur gezien. In het verleden was eiseres bekend met een HNP L4-5 (hernia onderrug) die conservatief werd behandeld. De arts rapporteert verder dat nooit eerder een operatie is verricht en dat er geen uitvalsverschijnselen zijn. Ook rapporteert de arts dat eiseres zelf heeft aangegeven dat het geen hernia is maar spierpijn en dat zij per 10 juni 2024 een nieuwe proefplaatsing heeft voor 13 uur per week. De arts concludeert dat de belastbaarheid niet is gewijzigd ten opzichte van de EZW-beoordeling en dat eiseres geschikt is voor de geduide functies.
12.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en eiseres op het spreekuur gezien. Eiseres stelt dat haar klachten zijn toegenomen, met name in het linkerbeen, en dat zij daarbij zenuwpijn, tintelingen en een doof gevoel ervaart. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres ook lichamelijk en psychisch onderzocht, maar ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. Hij rapporteert dat eiseres sinds de EZW-beoordeling meer klachten heeft, met name van het linkerbeen, terwijl door de neuroloog geen oorzaak is gevonden. Bij de EZW-beoordeling is in de FML van 6 januari 2023 al rekening gehouden met de rugklachten en de daaruit voortkomende beperkingen. De overgangsklachten geven geen aanleiding voor verdergaande beperkingen. De verzekeringsarts b&b rapporteert verder dat de geduide functies licht van aard zijn en dat zitten regelmatig wordt onderbroken met staan en lopen. Ook is geen sprake van zwaar tillen. In de geduide functies is geen overschrijding van de belastbaarheid aanwezig. Eiseres acht zich niet in staat om meer dan 13 uur per week te werken, maar volgens de verzekeringsarts b&b is er geen noodzaak voor een urenbeperking. De geduide functies zijn bovendien parttime, waardoor voldoende tijd resteert voor recuperatie.
12.3.
In beroep heeft de verzekeringsarts b&b gereageerd op de door eiseres overgelegde medische informatie. De meeste informatie was al bekend en ook bij de heroverweging betrokken. Nieuw is de brief van de neurochirurg van 16 oktober 2024, dus van na de datum in geding. Daarin wordt melding gemaakt van discopathie en een brede discusbulging op het niveau L5 S1, rechts meer dan links, met mogelijk een lichte vernauwing links bij de S1 zenuw. De neurochirurg acht een operatie niet aangewezen en adviseert eerst pijnbestrijding.
De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat deze informatie in grote lijnen aansluit bij het reeds bekende klachtenbeeld en geen aanleiding geeft om de FML aan te passen. Bij de EZW-beoordeling is al rekening gehouden met pijnklachten rechts en is uitgegaan van een beperkte belastbaarheid van rug en bekken. Omdat er nu links ook klachten zijn kan overwogen worden dat incidenteel tillen tot 10 kg af te raden is. Maar omdat in de geduide functies tot maximaal 5 kg wordt getild, overschrijdt de belasting in deze functies de belastbaarheid van eiseres niet. Ook ziet de verzekeringsarts b&b geen medische noodzaak voor een urenbeperking.
13. Eiseres heeft, samengevat, aangevoerd dat de geselecteerde functies zijn geduid op basis van de FML van 6 januari 2023, terwijl haar klachten en beperkingen zijn toegenomen. Zij voert aan dat zij op verschillende punten minder belastbaar is dan in die FML is aangenomen. Zij is in de praktijk niet in staat 24 uur per week te werken en dit volgt volgens haar ook uit de door haar overgelegde medische informatie.
Eiseres wijst op het verloop van het werkfittraject. Daaruit blijkt dat zij geen simulant is en dat zij ondanks haar beperkingen steeds heeft geprobeerd te werken, maar dat haar klachten zijn toegenomen en dat er nieuwe klachten zijn bijgekomen. Zij is op eigen initiatief een proefplaatsing gestart als medewerker receptie voor 13 uur per week. In combinatie met haar vrijwilligerswerk in de bibliotheek kwam zij daarmee uit op ongeveer 19 uur per week. Op 31 juli heeft zij zich ziekgemeld, waarna de proefplaatsing is beëindigd. Volgens eiseres laat dit zien dat 19 uur per week al te belastend is. Zij acht zich hooguit geschikt voor werkzaamheden van circa 10 tot 12 uur per week en betwist dat zij 24 uur per week kan werken, zoals het UWV aanneemt.
14. De rechtbank constateert dat ook in deze zaak de beroepsgronden er in de kern op neerkomen dat onvoldoende rekening is gehouden met de klachten en beperkingen die eiseres in de praktijk ervaart. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat zij er niet aan twijfelt dat eiseres heel veel heeft geprobeerd om ondanks haar beperkingen binnen haar mogelijkheden werkzaamheden te verrichten, en dat dit telkens niet is gelukt. Maar ook in deze zaak geldt, gezien het wettelijk systeem van de ZW, dat doorslaggevend is of sprake is van objectief medisch vast te stellen beperkingen.
14.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de (verzekerings)artsen voldoende zorgvuldig geweest. Zij waren op de hoogte van de klachten van eiseres en hebben voldoende onderzoek verricht. De primaire arts heeft eiseres lichamelijk niet onderzocht, maar de verzekeringsarts b&b wel. Beiden hebben ook kennis genomen van de aanwezige medische informatie en het rapport van de verzekeringsarts van 6 januari 2023 in het kader van de EZW-beoordeling. De verzekeringsarts b&b heeft ook de tijdens de bezwaarprocedure verkregen medische informatie betrokken bij de beoordeling.
14.2.
De enkele stelling van eiseres dat haar klachten en beperkingen zijn toegenomen, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie dat eiseres (nog steeds) geschikt is voor de eerder geduide functies.
14.3.
De door eiseres in beroep overgelegde brief van de neurochirurg van 16 oktober 2024, dateert van enkele maanden na de datum in geding (4 juli 2024). Voor de rechtbank is de reactie hierop van de verzekeringsarts b&b niet echt duidelijk. Eerst wordt gesteld dat de informatie geen aanleiding geeft om verdergaande beperkingen aan te nemen, maar vervolgens stelt de verzekeringsarts b&b: “omdat er nu links ook klachten zijn kan overwogen worden dat incidenteel tillen tot 10 kg af te raden is”. Deze twijfel moet in het voordeel van eiseres worden uitgelegd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat op het onderdeel ‘incidenteel tillen’ sprake is van een toegenomen beperking tot 10 kg. Dit leidt echter tot niets, omdat in de geduide functies tot maximaal 5 kg moet worden getild. De conclusie van de verzekeringsarts b&b dat de eerder geduide functies geschikt zijn, blijft dus overeind.
14.4.
Eiseres stelt dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen, omdat zij maximaal 10 à 12 uur per week kan werken. Deze stelling valt niet goed te rijmen met haar standpunt in de andere beroepszaak dat zij in 2023 slechts 6 uur per week kon werken. Zo bezien is er immers sprake van een verbeterde belastbaarheid en niet van een verminderde belastbaarheid. De rechtbank ziet (onder verwijzing naar overweging 7.1) dan ook geen reden om te twijfelen aan het gemotiveerde oordeel van de verzekeringsarts b&b dat er medisch gezien geen noodzaak bestaat voor een urenbeperking. Dat eiseres het vrijwilligerswerk en de proefplaatsing van in totaal 19 uur per week niet kon volhouden, doet hieraan niet af. Mogelijk dat daarbij, anders dan in de geduide functies, niet of onvoldoende rekening is gehouden met haar belastbaarheid.
14.5.
Uit het voorgaande volgt dat de belastbaarheid van eiseres sinds de EZW-beoordeling niet wezenlijk is gewijzigd, behalve op het onderdeel ‘incidenteel tillen’.
14.6.
De stelling van eiseres dat de functies niet passend zijn, komt overeen met wat is aangevoerd in de beroepszaak tegen de beëindiging per 18 maart 2023. De rechtbank volstaat daarom met een verwijzing naar wat onder 8.1 is overwogen.
14.7.
De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd dan ook geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts b&b dat de eerder geduide functies geschikt zijn. Dit betekent dat het UWV de ZW-uitkering van eiseres terecht heeft beëindigd per 4 juli 2024.

Conclusie en gevolgen

15. Beide beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert.
15.1.
Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van H. Oulad El Hadj, griffier, op 19 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BG9617
2.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 8 augustus 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1619) en 16 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1011)