ECLI:NL:RBZWB:2026:214

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/11075
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 november 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.968 aan verschuldigde Bpm. Het bezwaar van belanghebbende is door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door [gemachtigde 2] en de inspecteur door [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. De rechtbank heeft beoordeeld of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en komt tot de conclusie dat dit het geval is. Belanghebbende had op 16 november 2021 aangifte gedaan voor de inschrijving van een Nissan Juke en een bedrag aan Bpm voldaan van € 987. De inspecteur heeft een hertaxatie laten uitvoeren, waaruit bleek dat de verschuldigde Bpm € 6.955 bedraagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de waarde van de auto niet lager kan worden vastgesteld dan € 19.050. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten en de overige standpunten van partijen niet verder behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11075
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.968 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 16 november 2021 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Nissan Juke 1.6 DIG-T All Mode Nismo RS met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 987.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 6.955 bedraagt op basis van forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze gunstiger is. Gelet hierop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

4.3.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade en overige waardeverminderingen in aanmerking moeten worden genomen.
Herleidingsmethode
4.4.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.5.
De bewijslast voor de handelsinkoopwaarde rust op belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in haar aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 2.500. Uitgaande van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.600 en de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schade van € 3.550 (82% van € 4.308) zou de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 19.050 en niet € 2.500 bedragen.
4.6.
Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat dit verschil wordt veroorzaakt doordat de taxateur rekening heeft gehouden met de herleidingsmethode. Nu de rechtbank deze reeds heeft verworpen gaat zij aan deze waarde voorbij. Ook met hetgeen belanghebbende voor het overige heeft verklaard heeft zij in elk geval niet aannemelijk gemaakt dat de waarde lager moet worden vastgesteld dan € 19.050. De rechtbank zal hieronder beoordelen of en in hoeverre belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat schade in aanmerking moet worden genomen.
Waardevermindering wegens schade
4.7.
Belanghebbende gaat uit van de taxatiemethode. Hij sluit voor de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan bij het rapport van DRZ en stelt dat alleen nog een waardevermindering wegens schade en overige waardeverminderingen in aanmerking genomen moet worden.
4.8.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 4.308 en deze voor 82% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.9.
Tevens heeft belanghebbende rekening gehouden met een waardevermindering in verband met bijzondere omstandigheden waarbij drie maal 10% in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde. Het betreft het onthouden van een oordeel over de kilometerstand, het feit dat het een importauto betreft en een afwijkend bruto bpm bedrag. De rechtbank overweegt dat belanghebbende voor deze waardeverminderingen geen onderbouwing heeft gegeven en deze dus ook niet aannemelijk heeft gemaakt.
Hoogte naheffingsaanslag
4.10.
Indien de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaat van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 19.050 bedraagt de afschrijving 57,3%. Dit is lager dan het afschrijvingspercentage in de tabel waar de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag vanuit is gegaan. Ook indien de rechtbank de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schade zou volgen kan dit dus niet tot een verlaging van de naheffingsaanslag leiden. De rechtbank laat de naheffingsaanslag daarom in stand. De overige standpunten van partijen hoeven dan geen behandeling meer.
4.11.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende heeft op 21 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond 14 maanden heeft geduurd en daarmee 8 maanden te lang, komt 8/17 deel, derhalve € 706 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 794, voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 706;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 794;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.