Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.725 opgelegd door de inspecteur, die uitging van een hogere waardering van een BMW X3 M40i dan belanghebbende had opgegeven. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de inspecteur de aanslag terecht en correct heeft opgelegd.
De kern van het geschil betrof de toepasbaarheid van de herleidingsmethode en de waardevermindering wegens schade aan het voertuig. De rechtbank verwierp het beroep op de herleidingsmethode op basis van een recent arrest van de Hoge Raad. Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schade aan de auto meer dan normale gebruiksschade betrof, zodat de forfaitaire afschrijvingstabel van de inspecteur leidend bleef.
Verder werd het beroep mede geacht betrekking te hebben op de belastingrente, waartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd. De rechtbank wees het beroep daarop af. Wel werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer tien maanden, waarvan € 100 voor rekening van de inspecteur en € 900 voor rekening van de Staat. Tevens werden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten, en wees het griffierecht af omdat het verzoek na een relevant arrest van de Hoge Raad was ingediend.