Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vaststelling van de rendementsgrondslag in box 3 voor het jaar 2021, omdat de zorgverzekeringspremies voor dat jaar niet als schuld waren meegenomen. De inspecteur had de rendementsgrondslag vastgesteld op € 36.342 en na bezwaar verlaagd naar € 32.909, waarbij schulden aan DUO en een creditcardschuld wel waren meegenomen, maar de zorgpremies niet.
De rechtbank overweegt dat alleen schulden die op de peildatum (1 januari 2021) bestaan en een economische waarde hebben, in aanmerking komen. Omdat de zorgpremies voor 2021 pas na die datum verschuldigd waren en de verplichting tot betaling samenhangt met het recht op zorgdekking, vormen deze geen zelfstandige schuld in box 3. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap faalt.
Wel oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 500. De rechtbank wijst het beroep verder af en veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van respectievelijk € 100 en € 400 aan immateriële schadevergoeding.