ECLI:NL:RBZWB:2026:1986
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering voortzetting vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015
Eiser, die niet-aangeboren hersenletsel en cognitieve beperkingen heeft, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor dagbesteding en vervoer. Het college besloot het pgb voor vervoer na 29 juni 2025 niet voort te zetten, omdat eiser met zijn eigen auto zelfstandig naar de dagbesteding kan reizen.
Eiser voerde aan dat hij recht heeft op voortzetting van de vergoeding, omdat hij het verlies van de reiskostenvergoeding financieel niet kan opvangen en nooit geïnformeerd is over het vermeende onterecht toegekende pgb. De rechtbank oordeelt dat een eerder toegekende maatwerkvoorziening niet automatisch recht geeft op voortzetting en dat het college een nieuw onderzoek moest doen.
De rechtbank acht het onderzoek van het college zorgvuldig, waarbij is vastgesteld dat eiser zelfstandig kan reizen. De stelling van eiser dat het soms niet lukt, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank benadrukt dat de Wmo bedoeld is ter compensatie van beperkingen en niet als inkomensvoorziening. De overgangsperiode van drie maanden is redelijk.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van het college om het pgb voor vervoer niet voort te zetten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot voortzetting van het pgb voor vervoer wordt ongegrond verklaard.