ECLI:NL:RBZWB:2026:1976
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden in België
Eiser ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering en werd op grond van een anonieme melding onderzocht door het UWV vanwege vermoedelijke werkzaamheden in België. Uit onderzoek van het Internationaal Bureau Fraude-informatie en verklaringen van de werkgever [bedrijf] bleek dat eiser van 2006 tot 2020 in België heeft gewerkt en inkomsten heeft ontvangen, zonder dit te melden aan het UWV.
Het UWV herzag de uitkering met ingang van 1 januari 2019 en vorderde de onterecht ontvangen bedragen over 2019 en 2020 terug, tezamen met een boete wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser betwistte de werkzaamheden en stelde mogelijk sprake van identiteitsfraude, alsmede dat terugvordering vanwege zijn psychische en financiële situatie onredelijk was.
De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende bewijs had geleverd en dat eiser geen tegenbewijs had aangedragen. De stelling van identiteitsfraude werd niet aannemelijk geacht. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. De boete werd als proportioneel beoordeeld gezien de ernst van de overtreding en de draagkracht van eiser.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de herziening, terugvordering en boete. De invordering staat voorlopig stil vanwege de beslagvrije voet. Eiser heeft geen recht op vergoeding van kosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening, terugvordering en boete van het UWV worden bevestigd.