ECLI:NL:RBZWB:2026:1749

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/10384
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet BPMArt. 8 lid 4 Uitvoeringsregeling BPMArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.893 opgelegd door de inspecteur, die ook belastingrente in rekening bracht. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht moet worden verminderd op basis van een taxatierapport en erkende schade aan de auto. De inspecteur heeft het beroep ongegrond verklaard, maar de rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag niet volledig juist is vastgesteld.

De rechtbank beoordeelt het vertrouwensbeginsel en concludeert dat dit niet is geschonden, omdat de inspecteur tijdig heeft gehandeld binnen de wettelijke termijn en geen uitlatingen heeft gedaan die vertrouwen wekten dat geen naheffing zou volgen. De taxatiemethode wordt toegepast, waarbij de rechtbank het taxatierapport als bewijs aanvaardt, ondanks dat het niet volledig aan alle formele eisen voldoet.

De rechtbank erkent een waardevermindering van €109 wegens interieurreiniging en ontgeuring, wat de naheffingsaanslag verlaagt tot €4.867. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €469 voor rekening van de inspecteur en €1.031 voor de Staat. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10384
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] V.O.F., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.893 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 15 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag dient te worden verlaagd. Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 8 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Renault Talisman Estate 1.8 TCe Initiale Paris met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 430.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is als datum van expertise en opdrachtdatum vermeld 1 maart 2021. Het taxatierapport is opgemaakt op 6 september 2021.
4.2.
De inspecteur heeft op 21 september 2021 een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ).
4.3.
De inspecteur heeft op 21 september 2022 belanghebbende schriftelijk geïnformeerd dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De inspecteur heeft vervolgens naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 5.323 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Vertrouwensbeginsel
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schouw bij DRZ (4.2) en de kennisgeving van de naheffingsaanslag (4.3), de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet zou worden teruggekomen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw bij DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak van de rechtbank [2] geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Toepassing taxatiemethode
4.6.
De bewijslast ten aanzien van de schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe gewezen op het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De inspecteur heeft de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schade gemotiveerd betwist, door onder meer te stellen dat blijkens het taxatierapport van belanghebbende sprake is van essentiële gebreken aan de auto. Bij een auto met essentiële gebreken kan geen enkele vermindering vanwege schade in aanmerking worden genomen, aldus de inspecteur.
4.7.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Indien sprake is van essentiële gebreken waardoor met het motorrijtuig niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer kan geen vermindering van Bpm plaatsvinden. Dat betekent dat in die situatie de taxatiewaarde niet gebruikt kan worden om de afschrijving en daarmee de verschuldigde Bpm te bepalen. De vraag die beantwoord moet worden is wanneer sprake is van essentiële gebreken.
4.8.
Vaststaat dat de auto is goedgekeurd door de RDW en dus deel mag nemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto - mogelijk na reeds verrichte herstelwerkzaamheden - op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vaststelling beslissend en is het niet aan de inspecteur om daar een andere invulling aan te geven. [3]
4.9.
De inspecteur heeft verder gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto, omdat het taxatierapport niet conform artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling BPM is opgemaakt ten hoogste één maand voor het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 Wet Pro op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert. [4]
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het taxatierapport op 6 september 2021 is opgemaakt. De taxateur heeft in het rapport vermeld dat hij de auto op 1 maart 2021 van 15:00 uur tot 15:20 uur heeft geïnspecteerd. Nu het taxatierapport niet ouder is dan één maand voor het tijdstip dat de belasting is verschuldigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport volledig buiten beschouwing te laten. Hetgeen de inspecteur verder heeft aangevoerd ten aanzien van de het taxatierapport kan niet leiden tot een ander oordeel. De rechtbank ziet wel aanleiding om aan de foto’s en de geconstateerde schade, nu deze vastgesteld zijn circa 6 maanden vóór het opmaken van het taxatierapport en niet meer aanwezig waren op het moment van schouw bij DRZ, minder bewijskracht toe te kennen.
4.11.
Het voorgaande betekent dat belanghebbende bij het berekenen van de vermindering Bpm gebruik kan maken van de taxatiemethode.
Waardevermindering in verband met schade
4.12.
Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ten onrechte bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen rekening heeft gehouden met de door DRZ vastgestelde schade van € 151 met als omschrijving ‘interieur reinigen en ontgeuren i.v.m. ernstige vervuiling’. DRZ heeft 72% van dit bedrag, zijnde € 109 ten laste van de handelsinkoopwaarde gebracht.
4.13.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het reinigen en ontgeuren van de auto geen schade betreft.
4.14.
De rechtbank stelt voorop dat voor de waardebepaling van de handelsinkoopwaarde na schade het op de weg van partijen ligt om hun standpunten voldoende te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, mede gelet op hetgeen zijn deskundige heeft vastgesteld, onvoldoende onderbouwd betwist waarom de door DRZ vastgestelde schade niet als schade aangemerkt dient te worden. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, mede gelet op hetgeen is overwogen onder 4.10, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer schade dan hetgeen is vastgesteld door DRZ.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde
4.16.
Belanghebbende heeft subsidiair een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 50.645, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 27.857 vermeerderd met € 5.850 btw en € 16.938 bruto bpm. Voor dat geval stelt belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat, zoals vastgesteld door DRZ van € 22.139, niet in geschil is.
4.17.
De rechtbank constateert dat belanghebbende blijkbaar ook uitgaat van de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.248. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de inspecteur reeds uitgegaan van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals belanghebbende die voorstaat. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. Gelet op het overwogene in 4.13 en 4.14 dient de handelsinkoopwaarde nog te worden verminderd met € 109.
Hoogte naheffingsaanslag
4.18.
De naheffingsaanslag dient als volgt te worden verminderd.
Historische nieuwprijs
€ 50.645
Handelsinkoopwaarde voor schade
€ 22.248
Schade (72% van € 151)
€ 109
Handelsinkoopwaarde na schade
€ 22.139
Afschrijving
€ 28.506
Bruto historische Bpm
€ 12.538
Afschrijvingspercentage
56,2859%
Afschrijving
€ 7.058
Verschuldigde Bpm
€ 5.480
Extra leeftijdskorting
€ 183
Voldaan op aangifte
€ 430
Naheffing
€ 4.867
Belastingrente
4.19.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, moet het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.20.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.21.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.22.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/16 deel, derhalve € 469 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.031 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.867 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 469;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.031;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Hof Amsterdam 17 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5114; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2426.
4.Wettekst 2021.