ECLI:NL:RBZWB:2026:1570

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/4232 WGA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering door UWV

Werkneemster was werkzaam als machine operator en meldde zich ziek per 3 september 2020. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid, maar stelde dat deze niet duurzaam was. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat er sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid, waarop de rechtbank in een eerdere uitspraak het UWV terugwees om nieuwe besluiten te nemen.

Na aanvullend medisch onderzoek en het opvragen van informatie bij behandelaars concludeerde de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) dat er nog behandelmogelijkheden zijn en dat de beperkingen niet duurzaam zijn. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de motivering van het UWV voldoende concreet en toereikend, ondanks het feit dat werkneemster later de behandeling stopzette.

De arbeidsdeskundige stelde geschikte functies vast voor werkneemster, waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% werd berekend. Eiseres voerde geen gegronde bezwaren tegen deze functies of berekening aan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding en griffierecht af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat het UWV terecht heeft vastgesteld dat werkneemster niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4232 WGA

uitspraak van 10 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats 1] , eiseres,

gemachtigde: mr. V.A.M. Vos,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Heerlen), verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[werkneemster], uit [plaats 2] , werkneemster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan werkneemster. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft overwogen dat werkneemster niet duurzaam arbeidsongeschikt is
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Werkneemster is werkzaam geweest als machine operator voor 40 uur per week bij eiseres. Zij heeft zich per 3 september 2020 ziek gemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten.
2.1.
Het UWV heeft met het besluit van 14 maart 2023 (primair besluit I) aan werkneemster met ingang van 1 september 2022 een loongerelateerde uitkering in verband met Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Het UWV heeft met het besluit van 5 mei 2023 (primair besluit II) aan werkneemster met ingang van 16 juli 2023 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Met de besluiten van 8 december 2023 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
2.3.
Bij uitspraak van 30 januari 2025 [1] heeft deze rechtbank de hiertegen door eiseres ingediende beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 8 december 2023 vernietigd en het UWV opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiseres.
2.4.
Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 zijn de bezwaren van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Werkneemster heeft geen toestemming verleend voor kennisneming van de stukken die medische gegevens bevatten door eiseres. Daarom zal in deze uitspraak geen melding worden gemaakt van specifieke op de werkneemster betrekking hebbende medische gegevens.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het UWV [persoon] . Werkneemster heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat werkneemster per 1 september 2022 volledig arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster. De beroepsgronden van eiseres zien op de vaststelling van het UWV dat werkneemster niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de duurzaamheid van de beperkingen juist vastgesteld?
5. Het bestreden besluit, voor zover deze ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.1.
De verzekeringsarts b&b heeft in de eerdere beroepsprocedure het dossier bestudeerd, werkneemster op het spreekuur van 30 juni 2023 medisch onderzocht en informatie bij de behandelend arts opgevraagd en betrokken in de heroverweging.
De verzekeringsarts b&b heeft onder meer overwogen dat eerdere behandelingen vroegtijdig zijn gestopt door werkneemster of door haar behandelaar omdat de behandeling niet aansloeg. Er is in de situatie van werkneemster dus nog geen sprake geweest van een volledig doorlopen behandeltraject waarbij alle reële opties zijn geprobeerd. De totale behandelingsduur van de problematiek zal snel 2 jaar bedragen, echter met iedere behandeling mag op den duur wel ten dele verbetering van de belastbaarheid worden verwacht. De beperkingen in de rubrieken 1, 2 (uitgezonderd de beperkingen onder 2.1. en 2.5.), 4.3.7. en 6 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn niet-duurzaam.
De beperkingen en de belastbaarheid van werkneemster zijn neergelegd in twee FML’s van 30 november 2023. Er is een FML opgemaakt met zowel de duurzame als niet-duurzame arbeidsbeperkingen en er is een FML opgemaakt met enkel de duurzame arbeidsbeperkingen.
5.2.
De verzekeringsarts b&b heeft met het rapport van 31 mei 2024 bovenstaande rapportage aangevuld in de eerdere beroepsprocedure. Voor de motivatie van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen is de bezwaarrapportage zelfdragend. De door eiseres aangehaalde citaten missen de nodige context en de rapportage in bezwaar herstelt dat gebrek. De verzekeringsarts b&b volgt de stelling van eiseres dat overleg met behandelaars onterecht niet heeft plaatsgevonden niet. De verzekeringsarts b&b had op basis van wat werkneemster kon vertellen over haar klachten en behandeling voldoende informatie over de aard van haar problematiek en de insteek van de behandeling, evenals het behandelverleden. Daaruit bleek dat er tot op heden nog geen volledig behandeltraject was doorlopen, dat de huidige behandeling gericht is op herstel en er geen aanwijzingen zijn dat er behandelresistentie bestaat, noch dat er een minder dan geringe kans op herstel zou kunnen bestaan.
5.3.
Met de uitspraak van 30 januari 2025 [2] heeft deze rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest en dat de conclusie dat werkneemster niet duurzaam arbeidsongeschikt is onvoldoende is gemotiveerd. Hieraan is met name ten grondslag gelegd dat wat betreft een deel van de klachten van werkneemster onvoldoende medische gegevens zijn verkregen van de behandelend sector.
5.4.
Naar aanleiding van de uitspraak van 30 januari 2025 heeft de verzekeringsarts b&b informatie opgevraagd bij en ontvangen van de behandelaars van werkneemster. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat geen informatie is toegekomen over de eerdere behandeltrajecten die werkneemster vroegtijdig is gestopt. De ontvangen informatie over de behandeltrajecten laat toch een zorgvuldige afweging van de prognose van de beperkingen toe.
De verzekeringsarts b&b handhaaft dat een deel van de beperkingen niet duurzaam is. Er is namelijk een stabiel ziektebeeld met behandelmogelijkheden. Er is voor alle gestelde diagnosen behandeling ingesteld die gericht was op herstel en ook daadwerkelijk aansloeg. Wat betreft de behandeltermijn volgt uit de brieven en de beschreven behandeling dat deze meerdere jaren beslaat. Herstel is niet enkel aannemelijk in het eerste jaar, maar ook na het eerste jaar.
Hoewel na de datum in geding, acht de verzekeringsarts b&b het niet plausibel dat de behandeling is gestopt wegens klachten van werkneemster. Uit de brieven van de behandelaar volgt evident ook dat er bij werkneemster geen gebrek aan ziekte-inzicht is als reden voor het stoppen van de behandeling. Gezien de behandeling pas net was gestart, er geen medische reden is dat werkneemster niet kon worden behandeld én deze was gericht op herstel, moet de verzekeringsarts b&b concluderen dat ook bij het stopzetten van de behandeling er nog geen sprake is van duurzaamheid.
In de brieven van de behandelaar worden geen specifieke uitspraken gedaan over blijvend verwachte resterende functiebeperkingen. Gezien ook bij een lang bestaande duur van de klachten volledig herstel mogelijk is, kan de verzekeringsarts b&b op voorhand geen duurzame beperkingen duiden. In welke mate beperkingen blijven bestaan na het doorlopen van de behandeling zal op dat moment moeten worden vastgesteld.
Na het opvragen van medische informatie is er volgens de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om de duurzame beperkingen die zijn opgenomen in de FML van 30 november 2023 anders in te schatten.
5.5.
Eiseres heeft opnieuw aangevoerd dat er een inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) dient te worden toegekend met terugwerkende kracht per 1 september 2022 (EWT-WIA) dan wel per de ontslagdatum 16 juli 2023 (LGU), nu er sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Eiseres heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [3] , gewezen op de verzwaarde motiveringsplicht in het geval van een werkgeversberoep. Aan deze verzwaarde motivering is naar het oordeel van eiseres niet voldaan, nu er geen motivering heeft plaatsgevonden in lijn met de wet en jurisprudentie.
Het UWV heeft verzuimd om nader overleg te plegen met de behandelend artsen van werkneemster ten aanzien van (eventueel) te volgen behandelingen, de mogelijkheden daartoe en het te verwachten resultaat daarvan. Er is louter aanvullende informatie opgevraagd bij de huisarts en de laatste behandelaar, welke informatie bovendien niet volledig betrekking heeft op de data in geding. Dit is opmerkelijk, nu het niet slagen van (eerdere) behandelingen juist een aanwijzing is voor de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Wanneer de verzekeringsarts b&b bij een patroon van niet geslaagde behandelingen geen overleg voert met de behandelend artsen over het reeds doorlopen behandeltraject en over de te verwachten effecten van nadere behandelingen, zijn de stellingen van de verzekeringsarts b&b over de te verwachten verbeteringen wegens nog te volgen behandelingen onvoldoende onderbouwd. [4]
Door de verzekeringsarts b&b wordt voorbij gegaan aan de destijds aanwezige klachten van werkneemster. Het had voor de hand gelegen dat op zijn minst overleg was gevoerd met de betreffende behandelaar over de oorzaak van het staken van de behandeling.
Bovendien is van belang of een behandeling uitsluitend of in overwegende mate gericht is op stabilisatie of behoud van mogelijkheden. In de motivering van de verzekeringsarts b&b wordt hieraan voorbijgegaan voor een deel van de klachten van werkneemster. In de uitspraak van de CRvB van 6 november 2015 [5] is bepaald dat behandelingen die uitsluitend of in overwegende mate gericht zijn op stabilisatie of behoud van mogelijkheden niet aan het oordeel over duurzaamheid ten grondslag mogen worden gelegd.
Ook is hierin aanvullend overwogen dat het feit dat de motivering van het UWV voldoende betrokken moet zijn op de situatie van de betreffende verzekerde, betekent dat de nog aanwezig geachte mogelijkheid tot verbetering van de belastbaarheid niet kan worden gebaseerd op een behandeling die op zichzelf wel kan leiden tot verbetering van de belastbaarheid, maar die de betreffende verzekerde als gevolg van ziekte niet zal aanvragen.
Het UWV dient verder het ingenomen standpunt ten aanzien van duurzaamheid te motiveren en aan te geven hoe groot de kans op herstel daadwerkelijk is en hoe de lang de termijn is. Het herstel zelf moet bovendien significant genoeg zijn om verandering in de arbeidsmogelijkheden teweeg te brengen en ertoe te leiden dat werkneemster na verbetering van de belastbaarheid wordt geacht om minder dan 80% arbeidsongeschikt te zijn. Zo heeft de CRvB in de uitspraak van 3 oktober 2017 [6] bepaald dat specifiek moet worden onderbouwd waarop de verwachting van verbetering is gebaseerd en op welke punten in de FML verbetering wordt verwacht. Algemene aannames zijn hierbij onvoldoende en ook moet worden onderbouwd of dit tot een verdiencapaciteit van meer dan 20% kan leiden.
De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat sprake is van een stabiel ziektebeeld met behandelmogelijkheden. Het is echter niet duidelijk in hoeverre vervolgens (volledig of ten dele) herstel kan worden verwachten door bepaalde behandelmogelijkheden en binnen welke termijn. De opgevraagde informatie heeft bovendien niet volledig betrekking op de data in geding, hetgeen de conclusie van de verzekeringsarts b&b alleen al niet kan dragen omtrent het uitblijven van duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Integendeel, de verzekeringsarts b&b heeft aangegeven dat hij op voorhand geen duurzame beperkingen kan duiden.
Eiseres wijst op de verzwaarde motiveringsplicht die geldt bij een eventueel te verwachten verbetering pas na méér dan een jaar. Bij zo’n lang hersteltraject is er immers nog maar beperkte ruimte om aan te nemen dat van duurzaamheid geen sprake is en moet de herstelkans ‘concreet en toereikend’ worden onderbouwd. [7] Aan deze strenge voorwaarden is geenszins voldaan, te meer nu de verzekeringsarts b&b juist laat doorschemeren ook niet zeker van herstel te zijn.
De beperkte ruimte voor een verzekeringsarts b&b om aan te nemen dat er geen sprake zou zijn van duurzaamheid is gelegen in het systeem van jaarlijkse herbeoordeling. De Wet WIA voorziet dus al in een beoordeling van herstel over meerdere jaren als er wellicht herstel is te verwachten. In dat kader dient de verzekeringsarts b&b terughoudendheid te betrachten in zijn oordeel én zijn oordeel concreet en toereikend te motiveren. Het oordeel in deze zaak is echter niet concreet (geen duidelijke (uiterste) termijn, geen duidelijke en structurele herstelkans, geen duidelijk verwacht resultaat of gevolgen daarvan voor de arbeidsmogelijkheden) of toereikend (voldoende gemotiveerd en onderbouwd en voldoende rekening gehouden met alle verschillende factoren en belangen). Van enige terughoudendheid is daarom ook geen sprake.
Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat mocht er al sprake kunnen zijn van een meer dan geringe kans op herstel per beide data in geding, dan geldt dat onduidelijk is of een dergelijk herstel zodanig is dat ten minste 20% van de restverdiencapaciteit kan worden benut en of dit herstel ook structureel van aard is (en geen tijdelijke opleving en/of moet worden gezien in het kader van het beter leren omgaan met de bestaande klachten).
5.6.
De verzekeringsarts b&b heeft in de medische rapportage van 12 november 2025 overwogen dat de beroepsgronden niet leiden tot andere inzichten. Met de stelling dat de verzekeringsarts b&b bij de behandelaar moet informeren naar de reden voor het stoppen van de behandeling, wordt tekortgeschoten in het aannemelijk maken dat dit relevant is op de data in geding. Deze ontwikkeling deed zich voor na de data in geding. De verzekeringsarts b&b weet verder niet waarop gedoeld wordt met ‘niet geslaagde behandelingen’. Het resultaat van de behandelingen was herstel. De verzekeringsarts b&b wil ook benadrukken dat hij niet heeft gesteld dat verbetering pas na het eerste jaar zal optreden. Gesteld is dat verbetering in het eerste jaar zal optreden en dat na dat eerste jaar verdere verbetering zal optreden.
5.7.
Voor de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid hanteert het UWV het beoordelingskader voor verzekeringsartsen “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”. Op grond van dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen als duurzaam aangemerkt als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of niet of nauwelijks is te verwachten. In het beoordelingskader is een stappenplan opgenomen op grond waarvan de verzekeringsarts zich uitspreekt over de prognose van de arbeidsbeperkingen, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. Daarbij doorloopt de verzekeringsarts drie stappen.
De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden (stap 1).
Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht (stap 2).
De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen 2a. en 2b. doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht, beoordeelt de verzekeringsarts of en, zo ja, in hoeverre, die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht (stap 3). Dan zijn er weer twee mogelijkheden, namelijk: er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden (maar dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid) of verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat het aanvullend medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van de eerdere uitspraak heeft de verzekeringsarts b&b informatie opgevraagd bij en ontvangen van de behandelaars van werkneemster. De verzekeringsarts b&b heeft deze informatie afdoende betrokken bij de beoordeling. Het is de rechtbank niet gebleken dat relevante informatie is gemist. Dit laatste ligt de rechtbank hieronder toe.
Op basis van de nader verkregen medische informatie heeft de verzekeringsarts b&b kunnen overwegen dat er voldoende aanwijzingen zijn om te concluderen dat met de behandelingen verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. De verzekeringsarts b&b heeft daarbij in het bijzonder de medische stukken van 16 januari 2023 en 12 mei 2023 van belang kunnen achten. Daaruit blijkt namelijk dat rondom de data in geding (1 september 2022 en 16 juli 2023) sprake was van een adequate behandeling gericht op herstel en een stabiel ziektebeeld. Dat dit laatst genoemde stuk van ongeveer 8 maanden na de eerste datum in geding is, zoals eiseres ter zitting heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat deze informatie niet had kunnen of mogen worden betrokken bij de beoordeling van de situatie ten tijde van die datum. Op verzoek van de verzekeringsarts b&b heeft de huisarts van werkneemster – als poortwachter – namelijk informatie overgelegd van de betrokken behandelaars van 2021 tot en met 2025. De verzekeringsarts b&b mocht ervan uitgaan dat alle aanwezige medische informatie over deze periode is overgelegd. Informatie die de eerste datum in geding meer nadert is kennelijk niet aanwezig waarbij de rechtbank opmerkt dat het medisch stuk van 12 mei 2023 in ieder geval is gelegen tussen beide data in geding. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts b&b navolgbaar heeft overwogen dat ook bij een lang bestaande duur van de klachten volledig herstel mogelijk is en dat pas na het doorlopen van de behandeling kan worden vastgesteld in welke mate beperkingen blijven bestaan. Uit de medische rapporten blijkt dat de verzekeringsarts b&b bij de conclusie dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid toepassing heeft gegeven aan de in 5.7. opgenomen passage uit het beoordelingskader dat als doorslaggevende argumenten ontbreken, de verzekeringsarts uitgaat van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. De rechtbank kan dit volgen. Dat werkneemster in 2024 – na de data in geding – met de behandeling is gestopt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de oorzaak voor beëindiging van de behandeling is gelegen in de medische situatie van werkneemster. Anders dan eiseres betoogt, was nader overleg voeren over de oorzaak van het staken van de behandeling dan ook niet nodig. Verder heeft eiseres de gestelde ‘niet geslaagde behandelingen’ ter zitting niet kunnen onderbouwen, zodat dit betoog geen verdere bespreking behoeft.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
6. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft geconcludeerd dat op basis van de vastgestelde FML met zowel duurzame als niet- duurzame arbeidsbeperkingen geen functies te duiden zijn. De arbeidsdeskundige b&b heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML met alleen duurzame arbeidsbeperkingen (fictieve FML), de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: medewerker postbezorging (Sbc-code 315140), administratief ondersteunend medewerker (Sbc-code 315100) en telefonisch verkoper (outbound) (Sbc-code 315173). Hierbij is overwogen dat er sprake is van minder dan 80% loonverlies.
6.1.
De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Het standpunt van eiseres dat werkneemster niet in staat zal zijn de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit de opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.8. heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist.
De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
7. Op basis van de inkomsten die werkneemster met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (niet duurzaam). Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank hiervan uit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Voetnoten

1.Zaaknummers: BRE 24/1203 WGA en BRE 24/1204 WGA (ECLI:NL:RBZWB:2025:471).
2.Zaaknummers: BRE 24/1203 WGA en BRE 24/1204 WGA (ECLI:NL:RBZWB:2025:471).
3.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3776) en
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1038).
7.Zie de uitspraken van de CRvB van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) en