Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1465

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/4341
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 7 WBRArt. 12 WBRArt. 4 WBRArt. 27h lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen teruggaaf overdrachtsbelasting bij niet-gemeenschappelijk aandelenbezit in onroerendezaakrechtspersoon

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake overdrachtsbelasting. Belanghebbende had overdrachtsbelasting betaald over een bedrag van €75.909 naar aanleiding van de verdeling van onroerende zaken en de overdracht van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (OZR).

Belanghebbende stelde dat de aandelen in de OZR deel uitmaakten van dezelfde gemeenschap als de onroerende zaken, waardoor de overdracht van de aandelen als een verdeling van die gemeenschap moest worden aangemerkt en de overdrachtsbelasting lager zou zijn. De inspecteur betwistte dit en stelde dat de aandelen niet gezamenlijk werden gehouden en dus geen gemeenschap vormden.

De rechtbank oordeelde dat de aandelen niet gezamenlijk werden gehouden, maar exclusief door de respectievelijke BV's, en dat de overdracht van de aandelen als koop en verkoop was aangemerkt. Daarom was er geen sprake van een verdeling van een gemeenschap en was de volledige overdrachtsbelasting terecht voldaan.

Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. Ook werden proceskosten deels vergoed. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor geen teruggaaf van overdrachtsbelasting plaatsvond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en geen teruggaaf overdrachtsbelasting toegekend; wel wordt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4341

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

de erven van [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.T.J. Geurts),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 maart 2024.
1.1.
[belanghebbende] heeft een bedrag van € 75.909 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de op aangifte voldane overdrachtsbelasting ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur
mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
1.4.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld waarvan een afschrift gelijktijdig met de uitspraak naar partijen wordt verzonden.

Feiten

2. [belanghebbende] en [broer] zijn ieder uit hoofde van de nalatenschap van hun moeder voor de onverdeelde helft eigenaar van dertig onroerende zaken met een totaalwaarde van € 12.494.405.
2.1.
[belanghebbende] was enig aandeelhouder van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ) en [broer] was enig aandeelhouder van [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). [B.V. 1] en [B.V. 2] hielden ieder vijftig genummerde aandelen in [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ).
2.2.
[belanghebbende] en [broer] hebben op 30 januari 2023 een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten ter zake van de in onverdeeldheid gehouden onroerende zaken. Aan [belanghebbende] zijn vijftien onroerende zaken toebedeeld met een totaalwaarde van € 7.196.072. De resterende vijftien onroerende zaken die aan [broer] zijn toebedeeld hebben een totaalwaarde van € 5.298.333.
2.3.
Verder staat in de VSO – voor zover relevant – het volgende:
“2. Partijen zijn middels hun BV's - [belanghebbende] middels [B.V. 1] en [broer] mid-del [B.V. 2] - ieder voor 50% aandeelhouder van de besloten vennootschap [B.V. 3] , welke laatste BV de [onroerende zaak] ( [adres] ) in eigendom
heeft.
[B.V. 1] draagt haar aandelen in [B.V. 3] over aan [B.V. 2] waardoor [B.V. 2] enig aandeelhouder van [B.V. 3] wordt. Op deze wijze krijgt [broer] (in-direct) [onroerende zaak] toebedeeld.
(…)
4. Uit hoofde van de in artikel 1 vermelde Pro verdeling van de onroerende zaken waarvan partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn, wordt [belanghebbende] overbedeeld. Partijen hebben vastgesteld dat teneinde die overbedeling ongedaan te maken [belanghebbende] een bedrag van € 900.000,- en een bedrag van € 48.869,--, derhalve in totaal een bedrag van € 948.869,- aan [broer] dient te voldoen.
(…)
6. De economische eigendomsoverdracht van genoemde onroerende za-ken en het 50%-belang van [B.V. 1] in [B.V. 3] heeft reeds per 30 december 2022 plaatsgevonden.”
2.4.
Ten tijde van de overdracht van de economische eigendom van de aandelen bezat [B.V. 3] een onroerende zaak gelegen aan de [adres] . Tussen partijen staat vast dat de waarde van deze onroerende zaak op het moment van de overdracht
€ 1.800.000 bedroeg.
2.5.
Op 14 juli 2023 heeft [belanghebbende] de aangifte overdrachtsbelasting ingediend. Als gevolg van de verdeling van de onroerende zaken is [belanghebbende] overbedeeld met een waarde van € 948.869,50 [1] . Over dat bedrag is 8% aan overdrachtsbelasting aangegeven, zijnde € 75.909. [belanghebbende] heeft de overdrachtsbelasting op 27 juli 2023 voldaan.
2.6.
Bij notariële akte van 8 augustus 2023 heeft de verdeling en levering van de juridische eigendom van de dertig onroerende zaken plaatsgevonden.
2.7.
Tot de gedingstukken behoort de akte van levering van 8 augustus 2023 van de juridische eigendom van de aandelen in [B.V. 3] . De transactie wordt in de notariële akte aangeduid als de koop en verkoop van aandelen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of te veel overdrachtsbelasting op aangifte is voldaan. Verder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet te veel overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

Is te veel overdrachtsbelasting op aangifte voldaan?
4. Niet in geschil is dat [B.V. 3] op 30 december 2022 kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon (OZR) in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer (WBR). De cijfermatige uitwerking is evenmin in geschil.
Zijn de artikelen 7 en 12 van de WBR van toepassing?
4.1.
Verder is tussen partijen – terecht – niet in geschil dat de verdeling van de dertig onroerende zaken kwalificeert als een verdeling van een gemeenschap, zodat het bepaalde in de artikelen 7 en 12 van de WBR van toepassing is. Partijen houdt verdeeld of (i) de aandelen in [B.V. 3] eveneens tot de voorgenoemde gemeenschap behoren en (ii) de overdracht van de aandelen in [B.V. 3] kwalificeert als een verdeling van die gemeenschap.
4.2.
De artikelen 7 en 12 van de WBR bepalen – voor zover relevant – als volgt:

Artikel 7
Hetgeen bij een verdeling wordt toegedeeld, wordt geacht voor het geheel te zijn verkregen.”
“Artikel 12
1. Bij verkrijging krachtens verdeling wordt de waarde verminderd met die van het aandeel van de
verkrijger of van zijn rechtsvoorganger onder algemene titel in de verdeelde goederen als zijn
bedoeld in artikel 2.
2. De vermindering met de waarde van het aandeel van een rechtsvoorganger vindt, ingeval aan
verschillende rechtverkrijgenden onder algemene titel goederen als zijn bedoeld in artikel 2
worden toegedeeld, voor iedere toedeling plaats naar evenredigheid van de waarde van het
toegedeelde.
(…)”
4.3.
Vast staat dat de overdracht van de economische eigendom van de in
onverdeeldheid gehouden onroerende zaken heeft plaatsgevonden op 30 december 2022
(zie 2.3). Op diezelfde datum heeft [B.V. 1] de economische eigendom van haar
50%-belang in [B.V. 3] overgedragen aan [B.V. 2] (zie 2.3).
4.4.
Belanghebbende stelt dat de verdeling van de dertig onroerende zaken en de overdracht van de aandelen in [B.V. 3] moeten worden aangemerkt als de verdeling van één gemeenschap. Volgens belanghebbende hielden [belanghebbende] en [broer] indirect, in dezelfde verhouding, gezamenlijk de aandelen in [B.V. 3] . De verdeling van de dertig onroerende zaken kan – mede gelet op de VSO (zie 2.2 en 2.3) – niet los worden gezien van de overdracht van de aandelen in [B.V. 3] . De waarde van de overbedeling van
[belanghebbende] (€ 948.869) dient daarom te worden verminderd met het aandeel dat hij heeft afgestaan aan indirect bezit van de aandelen in [B.V. 3] (de helft van de waarde van de [adres] , zijnde € 900.000). Dit betekent dat de verschuldigde overdrachtsbelasting moet worden gesteld op € 3.910 (8% over € 48.869).
4.5.
De inspecteur betwist dat de aandelen in [B.V. 3] deel uitmaakten van de gemeenschap waartoe de dertig onroerende zaken behoorden. Daartoe voert de inspecteur – kort samengevat – aan dat de aandelen in [B.V. 3] niet gezamenlijk werden gehouden door [belanghebbende] en [broer] . Dat [belanghebbende] en [broer] voorafgaand aan de transacties in een gelijke verhouding gerechtigd waren tot alle voordelen, is volgens de inspecteur niet relevant voor de vraag of sprake is van één gemeenschap.
4.6.
De rechtbank stelt voorop voor toepassing van artikelen 7 en 12 van de WBR aangesloten wordt bij het civielrechtelijk verdelings- en gemeenschapsbegrip. Uit artikel 166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek 3 (BW) volgt dat voor een gemeenschap vereist is dat een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk
.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de aandelen in [B.V. 3] geen onderdeel waren van een gemeenschap zoals bedoeld in artikel 3:166 BW Pro. [B.V. 1] en [B.V. 2] waren beiden voor de helft exclusief gerechtigd tot specifiek genummerde aandelen in [B.V. 3] . De aandelen in [B.V. 3] werden dus niet gezamenlijk gehouden. Daarnaast werden de aandelen in [B.V. 1] en [B.V. 2] ook niet gezamenlijk gehouden door [belanghebbende] en
[broer] . Voorafgaand aan de vervreemding van de aandelen was [B.V. 2] (en indirect [broer] ) niet gerechtigd tot (een deel van) het 50%-belang – of de daardoor vertegenwoordigde vastgoedwaarde ( [adres] ) – dat [B.V. 1] (en indirect
[belanghebbende] ) hield in [B.V. 3] . Ook is de overdracht van dit 50%-belang door de notaris in de akte van levering aangeduid als een koop en verkoop van aandelen (zie 2.7) en niet als een verdeling, zoals dat wel het geval is in de akte van levering van de dertig onroerende zaken (zie 2.6). Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de aandelen in [B.V. 3] niet tot een gemeenschap behoorden. Van verdeling van een gemeenschap was bij de overdracht van de aandelen dan ook geen sprake.
Zijn de doorkijkarresten van toepassing?
4.8.
Belanghebbende stelt (subsidiair) dat de juridische structuur op grond van de doorkijkarresten dient te worden weggedacht. In dat geval zou volgens belanghebbende één gemeenschap bestaan die zowel de dertig in onverdeeldheid gehouden onroerende zaken als de aandelen in [B.V. 3] omvat.
4.9.
De rechtbank komt niet toe aan de vraag of de doorkijkarresten van toepassing zijn. Zoals hiervoor overwogen maakten de aandelen in [B.V. 3] voorafgaand aan de overdracht geen deel uit van een gemeenschap. Reeds daarom kan de aandelenoverdracht niet worden aangemerkt als een verkrijging krachtens verdeling, zoals bedoeld in de artikelen 7 en 12 van de WBR. De vraag of de doorkijkarresten van toepassing zijn, kan daarom in het midden blijven. Er is niet teveel overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
Immateriëleschadevergoeding
4.10.
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en beroepsprocedures.
4.11.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende en [B.V. 2] (zaaknummer BRE 24/4342) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken bovendien in de beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld en daarbij tussen belanghebbende en [B.V. 2] nagenoeg geen onderscheid is gemaakt, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
4.12.
De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift waarbij voor de bezwaarfase een termijn van zes maanden en de beroepsfase anderhalf jaar geldt. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 14 juli 2023 ontvangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 5 maart 2026, heeft de bezwaar- en beroepsprocedure (afgerond) twee jaar en acht maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase samen bedraagt (afgerond) acht maanden. Dit leidt tot een toekenning van een immateriëleschadevergoeding van € 1.000.
4.13.
Omdat de rechtbank samenhang tussen de zaken van belanghebbende en [B.V. 2] heeft aangenomen, zal de rechtbank de toegekende immateriëleschadevergoeding evenredig over belanghebbende en [B.V. 2] verdelen. Dit betekent dat belanghebbende een immateriëleschadevergoeding van € 500 krijgt. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 18 maart 2024. De bezwaarfase heeft afgerond negen maanden geduurd en daarmee drie maanden te lang. Dit brengt mee dat € 187,50 voor rekening van de inspecteur komt en de rest (€ 312,50) voor rekening van de Staat der Nederlanden. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op de teruggaaf van overdrachtsbelasting. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 500.
5.1.
Gelet op de toegekende immateriëleschadevergoeding komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Daarbij neemt de rechtbank ook samenhang aan tussen deze procedure en die van [B.V. 2] (met zaaknummer BRE 24/4342) onder verwijzing naar de motivering die daarvoor is gegeven bij de toekenning van de immateriëleschadevergoeding (zie 4.11). Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25. [2] De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. In deze zaak wordt daar de helft van toegekend. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden, te weten € 58,38.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding niet is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van
31 mei 2024. [3]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 187,50;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 58,38 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 312,50;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 58,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op 5 maart 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.€ 12.494.405 / 2 = € 6.247.202,50.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
4.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.