ECLI:NL:RBZWB:2026:144

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/903
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen gedeeltelijke afwijzing van verzoek tot verwijdering van justitiële gegevens

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 januari 2026, wordt het beroep van eiseres, een B.V. uit [woonplaats], tegen de minister van Justitie en Veiligheid behandeld. Eiseres had verzocht om het verwijderen van bepaalde gegevens uit de Justitiële Documentatie (JD), maar de minister heeft dit verzoek slechts gedeeltelijk toegewezen. Eiseres is het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiseres en komt tot de conclusie dat de minister terecht vasthoudt aan de gegevens die door het Openbaar Ministerie (OM) zijn aangeleverd. De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht is om de gegevens te verwijderen, aangezien deze gegevens binnen de wettelijke bewaartermijnen vallen. Eiseres heeft op 17 juni 2022 het verzoek ingediend, en de minister heeft op 7 december 2022 en 24 december 2024 besluiten genomen over de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 behandeld. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de minister de gegevens niet hoeft te verwijderen, vernietigen of af te schermen. De uitspraak is openbaar gemaakt en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/903

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Donze),
en

de minister van Justitie en Veiligheid, de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft verzocht om het verwijderen van gegevens uit de Justitiële Documentatie (JD). De minister heeft dat slechts gedeeltelijk gedaan. Eiseres is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht vasthoudt aan de gegevens die het Openbaar Ministerie (OM) heeft aangeleverd
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 17 juni 2022 verzocht om een aantal justitiële gegevens te verwijderen uit de JD. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 december 2022 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 24 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister nog één extra gegeven verwijderd en heeft hij besloten de overige gegevens in de JD te laten staan.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [directeur] (directeur) en mr. P. Rens (advocaat in dienst van aandeelhouder [B.V.] ) voor eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] voor de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Artikel 2 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) bepaalt dat bepaalde justitiële gegevens bewaard moeten worden. De artikelen 4 en 6 bepalen wanneer die gegevens weer vernietigd moeten worden.
Samengevat betekent dit dat gegevens met betrekking tot misdrijven na dertig (misdrijven met een maximale gevangenisstraf van 6 jaar of meer) dan wel twintig jaar (misdrijven met een maximale gevangenisstraf tot 6 jaar) moeten worden verwijderd. Bij overtredingen moeten de gegevens verwijderd worden vijf jaar nadat een strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd of tien jaar als voor de overtreding een geldboete van de derde categorie of hoger is opgelegd aan een rechtspersoon.
Artikel 22 van de Wsjg geeft betrokkenen het recht om te verzoeken gegevens te verwijderen of te wijzigen. Eiseres heeft op basis van dit artikel verzocht haar gegevens te verwijderen dan wel af te schermen.
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Om welke gegevens gaat het?
4. De minister wil de volgende gegevens van elf misdrijven of overtredingen niet uit de JD verwijderen:
Omschrijving
reden
1
Overtreding van art. 6.2, eerste lid van de Waterwet. Op 23 februari 2017 is tot een transactie besloten met een geldsom van € 2500,-.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
2
Overtreding van art. 17, eerste lid Wm. Op 7 augustus 2015 is tot sepot besloten wegens onvoldoende bewijs.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
3
Overtreding art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Op 15 december 2015 is besloten tot een strafbeschikking van € 2400,-.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
4
Overtreding art. 10.40 Wm. Op 21 november 2014 is een geldboete opgelegd van € 2500,-.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
5
Overtreding art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Op 8 augustus 2013 is een strafbeschikking opgelegd van € 1500,-.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
6
Overtreding art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Op 16 december 2015 is besloten tot sepot omdat het een oud feit betreft.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
7
Overtreding art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Op 27 juli 2011 is besloten tot sepot omdat het een oud feit betreft.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
8
Overtreding art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Op 1 juli 2009 is besloten tot een transactie van € 1000,-.
Het OM heeft bij registreren vastgelegd dat het een misdrijf betreft.
10
Overtreding art. 18.18 Wm. Op 27 juli 2007 is besloten tot sepot wegens gewijzigde omstandigheden en omdat het een oud feit betreft.
Gegevens zijn geregistreerd conform hetgeen door OM is aangeleverd.
13
Overtreding art. 18.18 Wm. Op 15 juli 2004 is besloten tot een sepot omdat het een oud feit betreft.
Het OM heeft bij registreren vastgelegd dat het een misdrijf betreft
14
Overtreding art. 26, eerste lid Arbeidsomstandighedenwet. Op 31 oktober 2000 is besloten tot een transactie van €1361,24.
Het OM heeft bij registreren vastgelegd dat het een misdrijf betreft
Mocht de minister er vanuit gaan dat het hier misdrijven betreft?
5. Eiseres voert aan dat het onduidelijk is of het bij de niet verwijderde gegevens misdrijven of overtredingen betreft. Van belang voor de beoordeling of sprake is van een misdrijf is of er sprake was van opzet. Dat blijkt niet uit de geregistreerde gegevens. De onderliggende dossiers zijn er niet meer, zodat niet onderbouwd kan worden dat het om misdrijven gaat. De minister moet er vanwege deze onduidelijkheid vanuit gaan dat het overtredingen betreft en dan is de termijn om de gegevens te verwijderen al verstreken. Gebleken is immers dat de minister gegevens vaker fout registreert. Naar aanleiding van het verzoek en het bezwaarschrift zijn al meerdere fouten geconstateerd en meerdere gegevens verwijderd. Ter zitting wijst eiseres op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waaruit blijkt dat Justid niet slechts een doorgeefluik is, maar zelf gegevens moet controleren. [1]
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de gegevens moeten worden geregistreerd zoals het OM ze heeft aangeleverd. Naar aanleiding van een verzoek doet hij navraag bij het OM en daaruit is niet gebleken dat de gegevens waar het hier over gaat onjuist zijn aangeleverd. Hij acht zich niet bevoegd om hier inhoudelijk een oordeel over te geven en daarmee de kwalificatie te wijzigen. Uit de ingevoerde code blijkt voldoende of het OM de zaak als overtreding of misdrijf ziet.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak [2] hoeft de minister alleen te beoordelen of de gegevens in het justitieel documentatiesysteem overeenkomen met de justitiële of strafvorderlijke gegevens afkomstig van het OM. Eiseres stelt niet dat de gegevens in de JD afwijken van wat het OM heeft aangeleverd. Zij stelt dat de gegevens niet meer te controleren zijn in het originele dossier en de minister er daarom niet zonder meer vanuit mag gaan dat ze kloppen. Eiseres draagt geen feiten of omstandigheden aan die objectief gezien bijdragen aan twijfel over de juiste opname in de JD.
5.3.
Voor zover eiseres stelt dat het hier, anders dan in de door de minister aangehaalde jurisprudentie, niet gaat om het betwisten van de feiten, maar om het betwisten van de kwalificatie, namelijk overtreding in plaats van misdrijf, gaat de rechtbank daar ook niet in mee. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister uit mag gaan van hetgeen in de JD is opgenomen. [3] Als het OM tot een andere strafrechtelijke kwalificatie komt, moet het OM dat in haar eigen systemen aanpassen en pas dan kan het in de JD worden opgenomen. Waar eiseres met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant stelt dat de minister zelf een afweging had moeten maken, is de rechtbank van oordeel dat de maatschappelijke kwalificatie een heel ander gegeven is dan het gegeven of een gedraging als overtreding of misdrijf moet worden aangemerkt. Ook dit slaagt dus niet.
Moest de minister de justitiële gegevens vernietigen of afschermen?
6. Omdat de minister er terecht vanuit mag gaan dat het hier misdrijven betreft, geldt de bewaartermijn van 20 of 30 jaar. Voor de registraties van zaken die al ouder zijn dan 20 jaar (feiten 13 en 14) geldt de termijn van 30 jaar. Op grond van artikel 6, eerste lid, onder 1, van de Wet op de economische delicten geldt voor de misdrijven immers een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar. Deze gegevens moeten dus nog bewaard worden.
6.1.
Eiseres heeft aangegeven de gegevens vooral verwijderd te willen hebben om problemen bij een evenutele Bibob-toets bij nieuwe vergunningaanvragen te voorkomen. In het verleden heeft eiseres veel uitleg moeten geven over de registraties in de JD. De rechtbank erkent dat dit lastig kan zijn, maar is van oordeel dat dit gevolg niet onevenredig is waardoor van de minister verlangd kan worden dat hij, in afwijking van wat de wet voorschrijft, afwijkt van hetgeen het OM heeft aangeleverd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. De minister hoefde de gegevens niet te verwijderen, vernietigen of af te schermen.
7.1.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een veroordeling in vergoeding van de proceskosten of teruggave van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 15 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Artikel 4
1. Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:
a. dertig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene,
b. twintig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, of
c. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.
2. De termijn van dertig en twintig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt verlengd indien tegen de betrokkene een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering in verband met een ander misdrijf is gedaan. In dat geval worden de justitiële gegevens vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat het vonnis is uitgesproken of de strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan zes jaar of zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld.
3. De termijn van dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt met twintig jaar verlengd indien de duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel langer is dan twintig jaar. Indien de gevangenisstraf levenslang is of de vrijheidsbenemende maatregel de duur van veertig jaar overstijgt, worden de justitiële gegevens na tachtig jaar vernietigd.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid worden justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven als bedoeld in de artikelen 241, 243, en 245 tot en met 253 van het Wetboek van Strafrecht na tachtig jaar vernietigd.
Artikel 6
Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens overtredingen worden vernietigd:
a. vijf jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een overtreding en in het kader van de overtreding de justitiële gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een overtreding volledig ten uitvoer is gelegd,
b. tien jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een overtreding en in het kader van de overtreding de justitiële gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een overtreding volledig ten uitvoer is gelegd, en daarbij een vrijheidsstraf, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of een taakstraf is opgelegd, dan wel aan een rechtspersoon een geldboete van de derde categorie of hoger is opgelegd,
c. twee jaar na het overlijden van betrokkene, of
d. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.
Artikel 22
De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige justitiële gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht.
In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor afscherming van justitiële gegevens, als:
a. de juistheid van de gegevens door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de afscherming wordt opgeheven, of
b. de persoonsgegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal.
4. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk in kennis of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet.
5. De verwerkingsverantwoordelijke deelt de rectificatie van de onjuiste justitiële gegevens mede aan de bevoegde autoriteit van wie de gegevens afkomstig zijn.

Voetnoten

1.Rechtbank Oost-Brabant, 17 september 2019, ECLI:NLRBOBR:2019:5301.
2.ABRvS, 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1232, ABRvS, 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1148 en ABRvS, 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4610.
3.ABRvS, 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1148.