Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1426

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/6766
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 40 Wet WOZArt. 229b GemeentewetArtikel 30a Wet WOZArtikel 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbank
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde hotel en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende, gebruiker van een hotel met 50 kamers, heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €4.496.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar had deze waarde vastgesteld en de aanslagen OZB en rioolheffing opgelegd. De rechtbank beoordeelde het beroep op 16 december 2025 en concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.

De rechtbank wees het verzoek om vrijstelling van griffierecht af omdat belanghebbende geen betalingsonmacht aannemelijk maakte. Diverse per e-mail ingediende stukken werden niet in behandeling genomen wegens onjuiste indiening. Het bezwaar tegen de rioolheffing werd niet ontvankelijk verklaard omdat dit niet in de bezwaarfase was ingediend en de rioolheffing niet gerelateerd is aan de WOZ-waarde.

De rechtbank hanteerde de huurwaardekapitalisatiemethode en vond dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde juist was vastgesteld, mede gelet op vergelijkingsobjecten en de toelichting op huurprijs en leegstandcorrectie. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd om de waarde te betwisten.

De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was met één maand overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €50. Daarnaast werden proceskosten van €23,35 toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslagen blijven gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6766

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 september 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 4.496.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen gebruiker (de aanslag OZB) en de aanslag rioolheffing gebruiker van de gemeente Middelburg voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Feiten

2. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een hotel aan de [adres] met 50 kamers, 2 vergaderzalen, een restaurant en een lobby. Het hotel is gebouwd in 2017.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Belanghebbende heeft ter zitting verwezen naar haar brief van 28 november 2025 en gesteld dat de in deze brief opgenomen beroepsgronden en hetgeen ter zitting wordt toegevoegd de beroepsgronden zijn waar het nog om gaat. De rechtbank ziet in de brief van 28 november 2025 echter enkel algemene gronden opgesomd, die ook in elke andere zaak van de zitting van 16 december 2025 zijn ingediend en waarvan sommige gronden ook in het geheel geen betrekking kunnen hebben op deze specifieke zaak. Ook worden stellingen ingenomen die niet worden onderbouwd. De rechtbank zal het beroep daarom enkel beoordelen aan de hand van de op zitting toegelichte standpunten.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de onroerende zaak niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf – verzoek om vrijstelling betaling griffierecht
3.3.
Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht terecht afgewezen. Belanghebbende heeft namelijk desgevraagd geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat belanghebbende voldoet aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Belanghebbende heeft dus terecht het griffierecht ter zake betaald.
Vooraf – toezending stukken per e-mail en toezending stukken na sluiting onderzoek
3.4.
Belanghebbende heeft diverse e-mails naar de rechtbank gestuurd met in sommige gevallen ook bijlagen. Deze stukken zijn niet in behandeling genomen, omdat ze niet op de juiste manier zijn ingediend. Belanghebbende is hier ook steeds op gewezen. Bij wijze van uitzondering is het per e-mail ingediende verzoek om digitaal aan de zitting deel te nemen in dit geval wel in behandeling genomen. Belanghebbende is ter zitting medegedeeld dat ook dergelijke verzoeken via de post of het digitale systeem behoren te worden ingediend en dat belanghebbende anders het risico loopt dat de verzoeken niet in behandeling worden genomen.
3.5.
Na de sluiting van het onderzoek zijn de in 3.4 genoemde e-mails alsnog per post binnengekomen. De rechtbank heeft in deze stukken geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en laat deze stukken buiten beschouwing. Op grond van het procesreglement worden de stukken wel toegevoegd aan het procesdossier. [1]
Vooraf - de rioolheffing
3.6.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase in een nader stuk gesteld dat de opbrengstlimiet is overschreden. Daarnaast heeft de gemachtigde voor het eerst ter zitting de door de heffingsambtenaar vastgestelde hoogte van de grondslag voor de rioolheffing ter discussie gesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat de aanslag rioolheffing reeds in de bezwaarfase in geschil was en heeft daarbij gewezen op het door hem opgestelde hoorverslag in de bezwaarfase.
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in de bezwaarfase bezwaar is ingediend tegen de aanslag rioolheffing. Het bezwaarschrift richt zich tegen de ‘aanslag WOZ/OZB 2024 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook’. De rioolheffing is niet gerelateerd aan de WOZ-waarde. De enkele stelling in het hoorverslag dat belanghebbende zich het recht voorbehoudt om terug te komen op onder meer ‘alle andere lokale lasten en heffingen, al dan niet (in)direct WOZ/OZB-gerelateerd’ indien geen minnelijke regeling tot stand komt, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een daadwerkelijk ingediend bezwaar tegen de aanslag rioolheffing. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak op bezwaar (terecht) ook enkel de hoogte van de WOZ-waarde is beoordeeld. De grond met betrekking tot de rioolheffing valt naar het oordeel van de rechtbank daarmee buiten dit geschil en slaagt daarom niet. Aangezien de onroerendezaakbelastingen geen rechten zijn als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet komt de rechtbank ook overigens niet toe aan toetsing aan de opbrengstlimiet.
Toetsingskader van de rechtbank met betrekking tot de WOZ-waarde
3.8.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [2]
3.9.
De waarde van een niet-woning kan op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ worden bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij de waardebepaling op grond van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van de onroerende zaak te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit verhuur- en verkooptransacties van vergelijkbare objecten.
3.10.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
De onderbouwing van de WOZ-waarde
3.11.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode vastgesteld op € 4.496.000. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten [vergelijkingsobject 1] , [vergelijkingsobject 2] , [vergelijkingsobject 3] en [vergelijkingsobject 4] .
3.12.
Belanghebbende heeft verzocht om verstrekking van de huurovereenkomsten, de huurinformatieformulieren en de leveringsakte van de vergelijkingsobjecten om te kunnen controleren of de vastgestelde waarde niet te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de heffingsambtenaar die stukken, als hij hier al over beschikt, in dit geval niet te verstrekken. Voor beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar is geslaagd om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast dient te worden betrokken dat wat belanghebbende heeft aangevoerd. Het slechts (bloot) stellen dat de stukken nodig zijn om te kunnen controleren of de vastgestelde waarde niet te hoog is, is daarvoor onvoldoende. Ten minste zal twijfel moeten worden gezaaid over waarom de door de taxateur – een deskundige – gebruikte onderbouwingen niet zouden kunnen kloppen. Zonder dat begin van bewijs moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. [3] Voor zover het verzoek van belanghebbende moet worden opgevat als een beroep op artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ faalt het aangezien de berekeningen van de heffingsambtenaar en de daaronder liggende gegevens geen gegevens zijn die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Die stukken zijn immers pas opgemaakt in de bezwaar- en beroepsfase en daarmee (ruim) nadat de waarde is vastgesteld. Daar komt bij dat belanghebbende in de bezwaarfase niet om de stukken heeft verzocht. Het standpunt van belanghebbende kan in dit geval dus slechts iets afdoen aan de bewijskracht van de door de heffingsambtenaar voorgestane waarde, maar dat doet het gelet op het voorgaande niet.
3.13.
Belanghebbende stelt dat de eigen huur € 30.000 per maand bedroeg en betwist de door de heffingsambtenaar toegepaste huurprijs van € 140 per vierkante meter. Ook stelt belanghebbende dat de in het taxatieverslag toegepaste correctie van € 256.489 onduidelijk is. De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat zowel de huurprijs per vierkante meter als de kapitalisatiefactor van de onroerende zaak lager ligt dan de huurprijs per vierkante meter en de kapitalisatiefactoren van de vergelijkingsobjecten. De heffingsambtenaar heeft verder toegelicht dat hij de volgens de huurovereenkomst geldende minimale basishuurprijs van € 350.000 per jaar (prijspeil 1 januari 2011) heeft geïndexeerd naar de waardepeildatum. De basishuurprijs bedraagt dan € 470.400 per jaar. Deze huur is hoger dan de huurwaarde van € 408.800 die de heffingsambtenaar heeft gehanteerd in de WOZ taxatie. Voorts heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag conform de taxatiewijzer overgelegd uitkomend op een waarde van € 5.325.000. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de correctie van € 256.489 een uit de taxatiewijzer voortvloeiende correctie voor leegstand betreft. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met zijn toelichting de toegepaste huurprijs en de correctie aannemelijk gemaakt en heeft belanghebbende deze onvoldoende betwist.
3.14.
Gelet op het vorenstaande heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
3.15.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn.
3.16.
De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [4] De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 9 februari 2024. De uitspraak op bezwaar is van 23 september 2024. De rechtbank doet uitspraak op 4 maart 2026. De redelijke termijn is daarmee overschreden met 1 maand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 50. [5] De overschrijding van de redelijke termijn komt volledig voor rekening van de heffingsambtenaar.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. In verband met de toekenning van een immateriëleschadevergoeding komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. De te vergoeden proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 23,35 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak [6] , vermenigvuldigd met 0,1 [7] ). Het griffierecht krijgt belanghebbende niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [8]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 50;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van 23,35 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbank, Staatscourant 2025, 20750.
2.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44
3.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1413.
4.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
5.Artikel 30a, derde lid, van de Wet WOZ.
6.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
8.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.