ECLI:NL:RBZWB:2026:1360

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3189, 25/3199 en 25/3202
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 19aa ZWArt. 19ab ZWArt. 23 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkeringen en weigering WIA-uitkering door UWV bevestigd

Eiser, voormalig voltijds operator koffieautomaten, kreeg na het einde van zijn arbeidsovereenkomst een WW-uitkering. Na ziekmelding wegens psychische en lichamelijke klachten werd hem een Ziektewet-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkeringen per 25 mei 2024 en 13 december 2024, en weigerde een WIA-uitkering omdat eiser niet onafgebroken 104 weken ziekengeld had ontvangen.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig en voldoende was. De beperkingen van eiser zijn objectief vastgesteld en niet onderschat. De functies die het UWV als passend aanmerkte, zijn medisch geschikt bevonden. De mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35%, waardoor het recht op ZW-uitkering vervalt.

Ook is vastgesteld dat eiser niet de vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft doorlopen, omdat perioden zonder recht op ziekengeld niet meetellen. De beroepen tegen de besluiten van het UWV worden ongegrond verklaard, waardoor de uitkeringen worden beëindigd en de WIA-uitkering wordt geweigerd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkeringen en de weigering van de WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/3189 ZW, 25/3199 ZW en 25/3202 WIA

uitspraak van 3 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigden: mr. P.F.M. Gulickx - 25/3189 en mr. S. Klootwijk - 25/3199 en 25/3202),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW) per 25 mei 2024 en per 13 december 2024 en de weigering van een uitkering op grond van de wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkeringen heeft beëindigd per 25 mei 2024 en per 13 december 2024 en de WIA-uitkering heeft geweigerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkeringen heeft beëindigd per 25 mei 2024 en per 13 december 2024 en de WIA-uitkering heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 is de verwijzing naar het wettelijk kader in de bijlage opgenomen. De beoordeling door de rechtbank over de beëindiging van de ZW-uitkering per 25 mei 2024 en per 13 december 2024 en de beoordeling over de weigering van de WIA-uitkering volgen respectievelijk onder 5, 6 en 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als voltijds operator koffieautomaten. Nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 31 oktober 2021, is aan eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de WW is eiser op 22 november 2022 uitgevallen vanwege psychische klachten (burn-outklachten en spanningen in de familie) en later lichamelijke klachten (rug-, linkerschouder- en linkerknieklachten). Tijdens de eerste dertien weken ziekte wordt eisers WW-uitkering doorbetaald. Het UWV heeft aan eiser een ZW-uitkering toegekend vanaf 21 februari 2023.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 24 april 2024 (primair besluit I) in het kader van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) aan eiser meegedeeld dat zijn ZW-uitkering met ingang van 25 mei 2024 wordt beëindigd. Met de beslissing op bezwaar van 30 mei 2025 (bestreden besluit I) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/3189 ZW.
3.1.
Aan eiser is per 25 mei 2024 een WW-uitkering toegekend. Eiser is daarna niet meer werkzaam geweest. Per 29 augustus 2024 heeft hij zich opnieuw ziekgemeld wegens familieomstandigheden en toenemende lichamelijke klachten. Eisers recht op een WW-uitkering eindigde op 17 september 2024. Bij besluit van 10 december 2024 heeft het UWV aan eiser een ZW-uitkering toegekend met ingang van 17 september 2024.
3.2.
Het UWV heeft met het besluit van 12 december 2024 (primair besluit II) de ZW-uitkering van eiser beëindigd met ingang van 13 december 2024, omdat eiser weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk. Met het besluit van 11 juni 2025 (bestreden besluit II) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/3199 ZW.
3.3.
Eiser heeft op 4 maart 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft met het besluit van 6 maart 2025 (primair besluit III) geweigerd aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het besluit van 5 juni 2025 (bestreden besluit III) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Ook hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/3202 WIA.
3.4.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
3.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn schoonvader en bijgestaan door (deels waarnemend) gemachtigde van eiser, mr. P.F.M. Gulickx, en [vertegenwoordiger] namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beëindiging ZW-uitkering per 25 mei 2024 (bestreden besluit I, zaaknummer 25/3189)
Grondslag bestreden besluit I
5. Aan het bestreden besluit I heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Toetsingskader
5.1.
Bij de beoordeling of het bestreden besluit I juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht (ook) heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
5.3.
Het bestreden besluit I, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.4.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en was aanwezig bij de hoorzitting. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat door de primaire verzekeringsarts een voldoende uitgebreid, op de klachten gericht onderzoek heeft plaatsgevonden. Eiser is aangewezen op fysiek lichte arbeid. De in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangenomen beperkingen zijn passend bij eisers schouder- en knieproblematiek, het onderzoek van de verzekeringsarts en de aangeleverde medische informatie. Er is sprake van een positief effect van de fysiotherapie. Tijdens de hoorzitting heeft eiser aangegeven dat hij huishoudelijke taken en de boodschappen doet en auto rijdt. Er is geen medische informatie aangeleverd waaruit blijkt dat sprake is van een andere, ernstigere medische situatie dan waarvan is uitgegaan bij de vaststelling van de beperkingen. De ervaren beleving van eiser is invoelbaar, maar uitgegaan moet worden van de geobjectiveerde medische afwijkingen. Ook is er geen aanleiding voor aanvullende beperkingen vanwege psychische problematiek. Eiser heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat die klachten op de achtergrond zijn en er geen belemmeringen zijn in het dagelijks leven. Uit zijn handelen blijkt dat hij zich voldoende kan concentreren en de aandacht kan verdelen. Getoetst aan de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid is er geen medische reden voor een urenbeperking. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de FML van 9 april 2024.
5.5.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij vanwege de veelheid aan lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt is. Ook is geen goed en gedegen zorgvuldig onderzoek verricht. Zijn medische voorgeschiedenis en zijn medische (psychische) klachten zijn namelijk onvoldoende opgevraagd en betrokken bij de beoordeling en op zijn arbeidsverleden met veelvuldige en regelmatige uitval dan wel voortijdige beëindiging van werkrelaties is niet ingegaan. Daarnaast voelt eiser zich niet gehoord. Volgens eiser dienen meer beperkingen te worden aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werkuren. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar onderzoeksverslagen van het [ziekenhuis] van 25 juni 2024 en 24 september 2025, waaruit de diagnose artrose volgt, een omschrijving van artrose en een uitdraai uit het huisartsenjournaal. Tot slot verzoekt eiser een onafhankelijk deskundige aan te wijzen.
5.6.
Naar aanleiding van het beroepschrift heeft de verzekeringsarts b&b nader gerapporteerd. De verzekeringsarts b&b is van mening dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek bij de primaire verzekeringsarts en in bezwaar bij de hoorzitting. Het dossier van eiser, inclusief de voorgeschiedenis, is in de beoordeling betrokken. Eiser heeft tijdens de hoorzitting zijn standpunt kunnen toelichten. De in beroep ingebrachte (medische) informatie geeft geen aanleiding voor aanvullende beperkingen. De latere diagnose artrose is op zich niet bepalend voor het vaststellen van meer beperkingen op de datum in geding (25 mei 2024). Zijn ervaren fysieke klachten zijn al erkend op basis van ziekte en/of gebrek na onderzoek door de primaire verzekeringsarts en zijn functioneren is daarbij in kaart gebracht en vertaald naar de FML. Voor het aanstellen van een onafhankelijk deskundige ziet de verzekeringsarts b&b geen aanleiding.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser is tijdens het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts onderzocht en de verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien en gesproken tijdens de hoorzitting. Eiser heeft daarbij ook alle ruimte gekregen om omstandigheden aan te dragen die volgens hem van belang zijn. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder psychische klachten (burn-outklachten en spanningen in de familie) en lichamelijke klachten (rug-, linkerschouder- en linkerknieklachten).
De door eiser overgelegde (medische) informatie geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. Eisers geclaimde klachten zijn uitvoerig besproken en in de FML zijn vele beperkingen aangenomen. Eiser voert daartegen aan dat zijn klachten en beperkingen zijn onderschat en door de verzekeringsartsen te licht zijn gewogen. Volgens vaste rechtspraak is echter de subjectieve beleving en ervaring van klachten niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn van belang.
De verzekeringsarts b&b heeft met eisers klachten, ook zijn rugklachten, op datum in geding (25 mei 2024) rekening gehouden. Volgens vaste rechtspraak is niet een latere diagnose (in dit geval de artrose aan de ruggenwervel) bepalend voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is, maar diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding. [1] Uit de medische stukken in het dossier kan niet worden opgemaakt dat de verzekeringsarts b&b beperkingen heeft gemist of onderschat. Eiser heeft geen medische stukken ingebracht, waaruit de door hem geclaimde, ernstigere klachten en beperkingen op de datum in geding blijken, op de wijze zoals hij die ervaart. De enkele omschrijving van zijn klachten in een FML, zonder onderbouwing met medische gegevens, is daartoe onvoldoende.
Uit de aanwezige stukken blijkt evenmin dat sprake is van een energetische stoornis op grond waarvan een urenbeperking moet worden aangenomen. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat een urenbeperking noodzakelijk is uit preventief oogpunt of vanwege verminderde beschikbaarheid.
Niet gebleken is dat in de FML van 9 april 2024 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden geacht, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
5.8.
Doordat er geen twijfel is aan de medische beoordeling door de verzekeringsartsen, is er ook geen aanleiding voor het aanwijzen van een onafhankelijke deskundige.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5.9.
Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: medewerker conventionele assemblage (SBC-code 111180), teamondersteuner (SBC-code 315100) en klantadviseur (SBC-code 315173).
5.10.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat hij de functie medewerker conventionele assemblage niet kan vervullen, omdat hij niet kan samenwerken met collega’s, lang zijn concentratie kan vasthouden, handmatig kan assembleren en onder druk kan werken. De functie van teamondersteuner is niet geschikt, omdat hij daarin moet samenwerken met collega’s en onder tijdsdruk en met deadlines moet werken. Ook de functie van telefonisch verkoper is volgens eiser niet geschikt, omdat hij moeite heeft met samenwerken, onder druk werken en langdurig zitten en staan.
5.11.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers standpunt dat hij op basis van zijn belastbaarheid en beperkingen niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.7 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. Daar komt bij dat de arbeidsdeskundige b&b uitvoerig en navolgbaar heeft gemotiveerd waarom eisers beperkingen in de voorbeeldfuncties niet worden overschreden.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
5.12.
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
5.13.
Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 25 mei 2024. Het beroep tegen bestreden besluit I wordt daarom ongegrond verklaard.
Beëindiging ZW-uitkering per 13 december 2024 (bestreden besluit II, zaaknummer 25/3199)
Grondslag bestreden besluit II
6. Aan het bestreden besluit II ligt ten grondslag dat eiser geschikt is om zijn eigen werk te verrichten.
Toetsingskader bestreden besluit II
6.1.
Bij de beoordeling of het bestreden besluit II juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt verstaan de laatst verrichte arbeid. Als er in het kader van de EZWb functies zijn geduid en eiser daarna niet meer heeft gewerkt, dan worden de geduide functies aangemerkt als ‘zijn arbeid’.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de in het kader van de EZWb geduide functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en telefonisch verkoper (SBC-code 315173) aangemerkt moeten worden als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW.
6.3.
De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van 23 december 2022 [2] van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een stappenplan is opgenomen voor de manier waarop het UWV in een zaak als deze moet vaststellen of eiser - bij een ziekmelding na een EZWb-beoordeling - geschikt is voor ‘zijn’ werk. Het stappenplan luidt als volgt:
Stap 1. Zijn de beperkingen bij de nieuwe ziekmelding toegenomen ten opzichte van de beperkingen vastgesteld bij de EZWb-beoordeling? Zo nee, dan is deze vaststelling voldoende om de weigering van ZW te kunnen dragen.
Stap 2. Zijn de beperkingen toegenomen, dan zal beoordeeld moeten worden of de eerder geduide functies geschikt zijn. Deze beoordeling kan in 1e instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid. Als er ook arbeidskundige gronden naar voren worden gebracht, zullen die ook beoordeeld moeten worden.
Stap 3. Als een of meer functies niet geschikt zijn, moeten er, van de oorspronkelijk geselecteerde functies, tenminste 3 geschikte functies met 3 arbeidsplaatsen overblijven die leiden tot een mate van arbeidsgeschiktheid van tenminste 65%.
Zijn de beperkingen toegenomen?
6.4.
Het bestreden besluit II is gebaseerd op een rapportage van een verzekeringsarts b&b van het UWV.
6.5.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting. De verzekeringsarts b&b is van mening dat eiser op 13 december 2024 geschikt is voor het ‘eigen werk’. Daartoe benoemt zij dat de aandoeningen met de bijkomende pijnklachten bekend zijn en er geen aandoeningen zijn gemist. Eiser ervaart weliswaar dat zijn klachten zijn toegenomen, maar deze klachten kunnen niet worden verklaard op basis van geobjectiveerde medische afwijkingen. Van toename van beperkingen in arbeid is geen sprake. In de geduide functies is rekening gehouden met eisers beperkingen in arbeid en wordt voorzien in fysiek laag belastende arbeid. Er is op de datum in geding (13 december 2024) geen sprake van een ernstigere medische situatie dan waar eerder vanuit is gegaan. Dit blijkt ook uit het dagverhaal van eiser. Met de aanwezige klachten doet hij het huishouden in etappes, haalt hij boodschappen of gaat naar het tuincentrum. Het geplande revalidatietraject is niet gestart. De geduide functies zijn volgens de verzekeringsarts b&b passend.
6.6.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV dezelfde gronden aangevoerd als in zijn beroep tegen bestreden besluit I. Hij stelt dat geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hij acht zich volledig arbeidsongeschikt en er moeten meer beperkingen worden aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werkuren.
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Eiser is tijdens het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts uitvoerig psychisch en lichamelijk onderzocht en de verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien en gesproken tijdens de hoorzitting.
De door eiser overgelegde (medische) informatie geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. Eiser claimt verergering van zijn schouder-, rug- en knieklachten en ook psychische klachten. De subjectieve beleving en ervaring van klachten is echter niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in medisch objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Eiser heeft in beroep geen medische stukken ingebracht, waaruit blijkt dat sprake is van meer beperkingen op de datum in geding. De enkele stelling van eiser dat hiervan sprake is, is daartoe onvoldoende.
De rechtbank acht het standpunt van de verzekeringsarts b&b navolgbaar, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen.
6.8.
Omdat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit II, ziet de rechtbank geen aanleiding een deskundige te benoemen.
6.9.
Op grond van het voorgaande heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser arbeidsgeschikt is voor de eerder in het kader van de EZWb geduide functies. Het UWV heeft daarom terecht de ZW-uitkering beëindigd per 13 december 2024. Het beroep tegen bestreden besluit II wordt daarom ongegrond verklaard.
Weigering WIA-uitkering (bestreden besluit III, zaaknummer 25/3202)
Grondslag bestreden besluit II
7. Aan het bestreden besluit III ligt ten grondslag dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij niet onafgebroken 104 weken ziekengeld heeft ontvangen.
Toetsingskader bestreden besluit II
7.1.
De verzekerde heeft recht op toekenning van een uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, waarbij voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken steeds in aanmerking worden genomen die tijdvakken waarin aanspraak bestaat op ziekengeld op grond van de ZW en perioden waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Perioden waarin geen recht op ziekengeld bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet worden niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de wachttijd. [3]
7.2.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische omstandigheden. Het bestreden besluit III is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
7.3.
De vraag of de wachttijd is vervuld vereist een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere, tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen, betrokken (kunnen) worden. [4]
7.4.
Hoofdregel is dat perioden waarin recht op ziekengeld bestond en perioden waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid bij elkaar worden opgeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. In artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA is een uitzondering op deze hoofdregel geformuleerd. Dit artikellid bepaalt dat perioden waarin geen recht op ziekengeld bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de wachttijd. In de memorie van toelichting staat hierover:
“Om te voorkomen dat personen waarvan het recht op ziekengeld op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW is geëindigd de wachttijd van de Wet WIA wel vol maken op grond van artikel 23, tweede lid, onderdeel b, doordat ze wel gedurende 104 weken ongeschikt tot het verrichten van hun arbeid blijven, wordt aan het vijfde lid van artikel 23 toegevoegd Pro dat perioden waarin geen recht op ziekengeld bestond, omdat dit op grond van artikel 19aa, eerste lid, is geëindigd, niet meetellen voor de wachttijd van de Wet WIA. Hiermee wordt voorkomen dat personen van wie reeds is vastgesteld dat ze minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, en dus niet in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, wederom beoordeeld moeten worden.”
Dit betekent dat de zelfstandige beoordeling van de vraag of de wachttijd is volgemaakt achterwege kan blijven als een betrokkene met toepassing van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, geen recht heeft op ziekengeld. Perioden waarin na toepassing van dit artikel geen recht op ziekengeld bestaat, tellen op grond van artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA immers niet mee voor de wachttijd. [5]
7.5.
In het primaire besluit I van 24 april 2024 is, met toepassing van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, bepaald dat eiser vanaf 25 mei 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Dit primaire besluit I is met het bestreden besluit I in stand gelaten en het beroep tegen dit bestreden besluit I is hiervoor ongegrond verklaard. De periode na 25 mei 2024 telt dus niet mee voor de wachttijd, die was aangevangen op 22 november 2022. Dit betekent dat het UWV, in tegenstelling tot wat eiser heeft aangevoerd, niet zelfstandig hoefde te beoordelen of eiser ook na 25 mei 2024 ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Het UWV heeft terecht vastgesteld dat eiser, na de eerste ziektedag op 22 november 2022, niet de wachttijd van 104 weken heeft volgemaakt en dat hij daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering.
7.6.
Uit het voorgaande volgt dat ook het beroep tegen bestreden besluit III ongegrond wordt verklaard.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten I, II en III standhouden. Er verandert voor eiser niets.
8.1.
Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser de griffierechten niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 3 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Ziektewet
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 23 (voor zover hier van belang)
1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.
3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij:
1° elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
b. perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:
1° elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
5. Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking genomen perioden gedurende welke:
b. geen recht op ziekengeld bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet.

Voetnoten

1.Zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2020:1902.
2.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.
3.Zie artikel 23 van Pro de Wet WIA, voor zover hier van belang.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1072.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1072.