ECLI:NL:CRVB:2020:1902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante was werkzaam als administratief medewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na faillissement van haar werkgever ontving zij ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het Uwv stelde op basis van een verzekeringsartsrapport dat zij per 6 januari 2017 geschikt was voor haar werk en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat de diagnose PTSS niet doorslaggevend is voor arbeidsongeschiktheid, maar de beperkingen per datum in geding. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en hield rekening met haar psychische klachten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat de diagnose PTSS reeds bestond en dat het Uwv de behandelend sector had moeten raadplegen. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat het Uwv terecht geen nieuwe medische gegevens ontving en dat de beperkingen adequaat waren meegewogen.
De Raad bevestigde dat niet de diagnose, maar de functionele beperkingen bepalend zijn voor arbeidsongeschiktheid. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij op de datum in geding niet arbeidsongeschikt was.